Statenvertaling.nl

sample header image

Mattheüs 12 – Statenvertaling editie 1637

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling raadplegen in de editie van 1637 en/of 1657. De edities 1637, 1657 en de GBS-editie kunnen naar keuze parallel worden weergegeven. (Bij parallelweergave worden bij een vers eerst de kanttekeningen met verwijsteksten getoond, daarna de verklarende kanttekeningen.)

Edities SV:    

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Inleiding Bijbelboek
Inleiding Nieuwe Testament
Weergave: Met kanttekeningenZonder kanttekeningen

Mattheüs 12

1 IN dien tijt ginck Iesus op eenen Sabbath-dach door het gezaeyde, ende sijne discipelen hadden honger, ende begonden ayren te plucken ende te eten.
2 Ende de Phariseen [dat] siende seyden tot hem, Siet uwe Discipelen doen dat niet en is geoorloft te doen, op den Sabbath.
3 Maer hy seyde tot haer, En hebt ghy niet gelesen wat David gedaen heeft, doe hem hongerde, ende haer die met hem [waren?]
4 Hoe dat hy gegaen is in het Huys Godts, ende de toon-brooden gegeten heeft, die hem niet geoorloft waren te eten, noch oock haer die met hem [waren], maer den Priesteren alleen.
5 Of en hebt ghy niet gelesen in de Wet, dat de Priesters den Sabbath ontheyligen in den Tempel, op de Sabbath-dagen, ende [nochtans] ontschuldich zijn?
6 Ende ick segge u, dat een meerder dan de Tempel hier is.
7 Doch so ghy geweten haddet, wat het zy, Ick wil barmherticheyt ende niet offerande, ghy en sout de ontschuldige niet veroordeelt hebben.
8 Want de Sone des menschen is een Heere oock van den Sabbath.
9 Ende van daer voortgaende, quam hy in hare Synagoge.
10 Ende siet daer was een mensche, die een dorre hant hadde, ende sy vraechden hem, seggende, Is ’t oock geoorloft op de Sabbath-dagen te genesen? (op dat sy hem mochten beschuldigen).
11 Ende hy seyde tot haer, Wat mensche salder zijn onder u, die een schaep heeft, ende so dat selve op eenen Sabbath-dach in een gracht valt, die het selve niet en sal aengrijpen ende uytheffen?
12 Hoe veel gaet nu een mensche een schaep te boven? Soo is ’t dan op de Sabbath-dagen geoorloft wel te doen.
13 Doe seyde hy tot dien mensche, Streckt uwe hant uyt; ende hy strecktese uyt, ende sy wert herstelt gesont gelijck de andere.
14 Ende de Phariseen uyt gegaen zijnde hielden t’ samen raet tegen hem, hoe sy hem dooden mochten.
15 Maer Iesus [dat] wetende vertrock van daer, ende vele scharen volchden hem, ende hy genas’se alle.
16 Ende geboot haer scherpelick dat sy hem niet openbaer maken en souden.
17 Op dat vervult soude worden ’t gene gesproken is door Iesaiam den Propheet, seggende,
18 Siet mijnen knecht, welcken ick verkoren hebbe, mijnen beminden, in welcken mijn ziele een welbehagen heeft. Ick sal mijnen Geest op hem leggen, ende hy sal het oordeel den heydenen verkondigen.
19 Hy en sal niet twisten, noch roepen, noch daer en sal niemant sijne stemme op de straten hooren.
20 Het gekroockte riet en sal hy niet verbreken, ende het roockende lemmet en sal hy niet uytblusschen, tot dat hy het oordeel sal uytbrengen tot overwinninge.
21 Ende in sijnen Name sullen de Heydenen hopen.
22 Doe wiert tot hem gebracht een van den Duyvel beseten, [die] blint ende stom [was,] ende hy genas hem, alsoo dat de blinde ende stomme, beyde sprack ende sach.
23 Ende alle de scharen ontsetteden haer, ende seyden, Is niet dese de Sone Davids?
24 Maer de Phariseen [dit] gehoort hebbende seyden, Dese en werpt de Duyvelen niet uyt, dan door Beelzebul, den oversten der Duyvelen.
25 Doch Iesus kennende hare gedachten, seyde tot haer, Een yeder Coninckrijck, dat tegen hem selven verdeelt is, wort verwoest: ende een yeder stadt, ofte huys, dat tegen hem selven verdeelt is, en sal niet bestaen.
26 Ende indien de Satan den Satan uytwerpt, so is hy tegen hem selven verdeelt: hoe sal dan sijn rijck bestaen?
27 Ende indien ick door Beelzebul de Duyvelen uytwerpe, door wien werpense dan uwe sonen uyt? Daerom sullen die uwe rechters zijn.
28 Maer indien ick door den Geest Gods de Duyvelen uytwerpe, so is dan het Coninckrijck Gods tot u gekomen.
29 Ofte hoe can yemant in’t huys eens stercken in komen, ende sijne vaten ontrooven, ten sy dat hy eerst den stercken gebonden hebbe, ende alsdan sal hy sijn huys berooven.
30 Wie met my niet en is, die is tegen my: ende wie met my niet en vergadert, die verstroyt.
31 Daerom segge ick u, alle sonde ende lasteringe sal den menschen vergeven worden: maer de lasteringe tegen den Geest en sal den menschen niet vergeven worden.
32 Ende so wie [eenich] woort gesproken sal hebben tegen den Sone des menschen, het sal hem vergeven worden: maer so wie tegen den heyligen Geest sal gesproken hebben, het en sal hem niet vergeven worden, noch in dese eeuwe noch inde toekomende.
33 Ofte maeckt den boom goet, ende sijne vrucht goet: ofte maeckt den boom quaet ende sijne vrucht quaet. Want uyt de vrucht wort de boom gekent.
34 Ghy adderen gebroetsels, hoe kondt ghy goede dingen spreken daer ghy boos zijt, want uyt den overvloet des herten spreeckt de mont.
35 De goede mensche brengt goede dingen voort uyt den goeden schat des herten, ende de boose mensche brengt boose dingen voort uyt den boosen schat.
36 Maer ick segge u, dat van elck ydel woort ’t welck de menschen sullen gesproken hebben, sy van ’t selve sullen rekenschap geven in den dage des oordeels.
37 Want uyt uwe woorden sult ghy gerechtveerdicht worden, ende uyt uwe woorden sult ghy veroordeelt worden.
38 Doe antwoordden sommige der Schriftgeleerde ende Phariseen, seggende, Meester wy wilden van u [wel] een teecken sien.
39 Maer hy antwoordde ende seyde tot haer, Het boos ende overspelich geslachte versoeckt een teecken, ende haer en sal geen teecken gegeven worden, dan het teecken Ione des Propheten.
40 Want gelijck Ionas drie dagen ende drie nachten was in den buyck des walvischs, alsoo sal de Sone des menschen drie dagen ende drie nachten wesen in het herte der aerden.
41 De mannen van Ninive sullen opstaen in het oordeel met dit geslachte, ende sullen ’t selve veroordeelen: want sy hebben haer bekeert op de predikinge Ione. Ende siet, meer dan Ionas is hier.
42 De Coninginne van ’t Zuyden sal opstaen in het oordeel met dit geslachte ende ’t selve veroordeelen: want sy is gekomen van de eynden der aerde, om te hooren de wijsheyt Salomons. Ende siet, meer dan Salomon is hier.
43 Ende wanneer de onreyne geest van den mensche uyt gegaen is, so gaet hy door dorre plaetsen, soeckende ruste, ende en vintse niet.
44 Dan segt hy, Ick sal wederkeeren in mijn huys, van waer ick uytgegaen ben: ende komende vint hy het ledich, met besemen gekeert, ende verciert.
45 Dan gaet hy henen ende neemt met hem seven andere geesten booser dan hy selve, ende ingegaen zijnde woonense aldaer, ende het laetste des selven mensches wort erger dan het eerste. Alsoo sal het oock met dit boos geslachte zijn.
46 Ende als hy noch tot de scharen sprack, siet sijne moeder ende broeders stonden buyten, soeckende hem te spreken.
47 Ende yemant seyde tot hem, Siet uwe moeder ende uwe broeders staen [daer] buyten, soeckende u te spreken.
48 Maer hy antwoordende seyde tot den genen die hem [dat] seyde, Wie is mijne moeder, ende wie zijn mijne broeders?
49 Ende sijne hant uytstreckende over sijne Discipelen seyde, Siet mijne moeder ende mijne broeders.
50 Want so wie den wille mijns Vaders doet die in de hemelen is, de selve is mijn broeder, ende suster, ende moeder.

Einde Mattheüs 12