Statenvertaling.nl

sample header image

Mattheüs 8 – Statenvertaling editie 1637

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling raadplegen in de editie van 1637 en/of 1657. De edities 1637, 1657 en de GBS-editie kunnen naar keuze parallel worden weergegeven. (Bij parallelweergave worden bij een vers eerst de kanttekeningen met verwijsteksten getoond, daarna de verklarende kanttekeningen.)

Edities SV:    

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Inleiding Bijbelboek
Inleiding Nieuwe Testament
Weergave: Met kanttekeningenZonder kanttekeningen

Mattheüs 8

1 DOe hy nu van den berch afgeklommen was, zijn hem vele scharen gevolgt.
2 Ende siet, een melaetsche quam, ende aenbadt hem, seggende: Heere, indien ghy wilt, ghy kont my reynigen.
3 Ende Iesus de hant uytstreckende heeft hem aengeraeckt, seggende, Ick wil, wort gereynicht. Ende terstont wert [hy van] sijne melaetscheyt gereynicht.
4 Ende Iesus seyde tot hem, Siet dat ghy [dit] niemant en segt: maer gaet henen, toont u selven den Priester, ende offert de gave, die Moses geboden heeft, haer tot een getuygenisse.
5 Als nu Iesus te Capernaum ingegaen was, quam tot hem een Hooftman over hondert, biddende hem,
6 Ende seggende, Heere, mijn knecht licht te huys geraeckt, ende lijdt sware pijnen.
7 Ende Iesus seyde tot hem, Ick sal komen ende hem genesen.
8 Ende de Hooftman over hondert antwoordende seyde, Heere, ick en ben niet weerdich dat ghy onder mijn dack soudt in komen, maer spreeckt alleenlick een woort, ende mijn knecht sal genesen worden.
9 Want ick ben oock een mensche onder de macht [van andere], hebbende onder my krijchs-knechten: ende ick segge tot desen, Gaet, ende hy gaet: ende tot den anderen, Komt, ende hy komt: ende tot mijnen dienstknecht, Doet dat, ende hy doet het.
10 Iesus nu [dit] hoorende heeft hem verwondert, ende seyde tot de gene die [hem] volgden, Voorwaer segge ick u, Ick en hebbe selfs in Israël so grooten geloove niet gevonden.
11 Doch ick segge u, dat vele sullen komen van oosten ende westen, ende sullen met Abraham, ende Isaac, ende Iacob aensitten in het Coninckrijck der hemelen.
12 Ende de kinderen des Coninckrijcks sullen uytgeworpen worden in de buytenste duysternisse, aldaer sal weeninge zijn, ende knersinge der tanden.
13 Ende Iesus seyde tot den hooft-man over hondert, Gaet henen, ende u geschiede gelijck ghy gelooft hebt. Ende zijn knecht is gesont geworden te dier selver uyre.
14 Ende Iesus gekomen zijnde in het huys Petri, sach sijn wijfs-moeder [te bedde] liggen, hebbende de cortse.
15 Ende hy raeckte haer handt aen, ende de cortse verliet haer, ende sy stont op, ende diende henlieden.
16 Ende als het laet geworden was, hebben sy vele van den Duyvel beseten tot hem gebracht, ende hy wierp de [boose] geesten uyt met den woorde, ende hy genas alle die qualick gestelt waren.
17 Op dat vervult soude worden, dat gesproken was door Iesaiam den Propheet, seggende, Hy heeft onse kranckheden [op hem] genomen, ende [onse] sieckten gedragen.
18 Ende Iesus vele scharen siende rond’om hem, beval aen d’andere zijde over te varen.
19 Ende daer quam een seker Schriftgeleerde tot hem, ende seyde tot hem, Meester ick sal u volgen, waer ghy oock henen gaet.
20 Ende Iesus seyde tot hem: De vossen hebben holen, ende de vogelen des Hemels nesten: maer de Sone des menschen en heeft niet waer hy het hooft neder legge.
21 Ende een ander uyt sijne discipelen seyde tot hem, Heere laet my toe dat ick eerst henen gae, ende mijnen vader begrave.
22 Doch Iesus seyde tot hem, Volgt my, ende laet de doode hare dooden begraven.
23 Ende als hy in ’t schip gegaen was, zijn hem sijne Discipelen gevolcht.
24 Ende siet, daer ontstondt een groote onstuymicheyt in de zee, alsoo dat het schip van de golven bedeckt wiert: doch hy sliep.
25 Ende sijne Discipelen by [hem] komende hebben hem opgeweckt, seggende, Heere, behoet ons: wy vergaen.
26 Ende hy seyde tot haer, Wat zijt ghy vreesachtich, ghy kleyn-geloovige? Doe stont hy op ende bestrafte de winden ende de zee: ende daer wiert groote stilte.
27 Ende de menschen verwonderden haer, seggende, Hoedanich een is dese, dat oock de winden ende de zee hem gehoorsaem zijn?
28 Ende als hy over aen d’ander zijde was gekomen in het lant der Gergesenen, zijn hem twee van den Duyvel beseten ontmoetet, komende uyt de graven, die seer wreedt waren, alsoo dat niemandt door dien wech konde voorby gaen.
29 Ende siet, sy riepen, seggende, Iesu ghy Sone Gods, wat hebben wy met u [te doen?] Zijt ghy hier gekomen om ons te pijnigen voor den tijdt?
30 Ende verre van haer was een kudde veler swijnen weydende.
31 Ende de Duyvelen baden hem, seggende, Indien ghy ons uytworpt, laet ons toe, dat wy in die cudde swijnen varen.
32 Ende hy seyde tot haer, Gaet henen. Ende sy uytgaende voeren henen inde kudde swijnen: ende siet de geheele kudde swijnen stortede van de steylte af inde zee, ende storven in’t water.
33 Ende diese weydden zijn gevlucht: ende als sy inde stadt gekomen waren, boodschapten sy alle [dese] dingen, ende wat den besetenen [geschiedt was].
34 Ende siet, de geheele stadt ginck uyt Iesu te gemoet: ende als sy hem sagen, baden sy, dat hy uyt hare lant-palen wilde vertrecken.

Einde Mattheüs 8