Op deze pagina kunt u de Statenvertaling raadplegen in de editie van 1637 en/of 1657. De edities 1637, 1657 en de GBS-editie kunnen naar keuze parallel worden weergegeven. (Bij parallelweergave worden bij een vers eerst de kanttekeningen met verwijsteksten getoond, daarna de verklarende kanttekeningen.)
| 1 ALEPH. Hoe sitt die stadt [soo] eensaem, die vol volcx was! sy is als eene weduwe geworden, sy die groot was onder de heydenen, eene Vorstinne onder de lantschappen, is cijnsbaer geworden. |
| 2 Beth. Sy weent steets des nachts, ende hare tranen [loopen] over hare kinnebacken: Sy en heeft geenen trooster onder alle hare lief-hebbers; alle hare vrienden hebben trouwlooslick met haer gehandelt, sy zijn haer tot vyanden geworden. |
| 3 Gimel. Iuda is in gevanckenisse gegaen van wegen de elende, ende van wegen de veelheyt der dienstbaerheyt: sy woont onder de heydenen, sy en vindt geen ruste: alle hare vervolgers achterhalense tusschen de engten. |
| 4 Daleth. De wegen Zions treuren, om dat niemant op het feest en comt, alle hare poorten zijn woest, hare Priesters suchten: hare jonckvrouwen zijn bedroeft, ende sy selfs is in bitterheyt. |
| 5 He. Hare tegenpartijders zijn ten hoofde geworden, hare vyanden zijn gerust: om datse de HEERE bedroeft heeft van wegen de veelheyt harer overtredingen: hare kinderkens gaen henen [in] de gevangenisse voor het aengesichte des tegenpartijders. |
| 6 Vau. Ende van de dochter Zions is al haren cieraet wechgegaen: hare Vorsten zijn als de herten, [die] geen weyde en vinden, ende sy gaen crachteloos henen voor het aengesichte des vervolgers. |
| 7 Zain. Ierusalem is [in] de dagen harer elende, ende harer veel-voudiger ballingschap, indachtich aller harer gewenschter dingen, die sy van ouden dagen af gehadt heeft: dewijle haer volck door de hant des tegenpartyders valt, ende sy geenen helper en heeft: de tegenpartyders siense aen, sy spotten met hare Rustdagen. |
| 8 Cheth. Ierusalem heeft swaerlick gesondicht, daerom is sy als eene afgesonderde [vrouwe] geworden: alle diese eerden, achtense onweert, dewijle sy hare naecktheyt gesien hebben, sy sucht oock, ende sy is achterwaerts gekeert. |
| 9 Teth. Hare onreynicheyt is in hare zoomen, sy en heeft niet gedacht aen haer uyterste: daerom is sy wonderbaerlick om leege gedaelt, sy en heeft geenen trooster: HEERE, siet mijne elende aen, want de vyant maeckt sich groot. |
| 10 Iod. De tegenpartijder heeft sijne hant aen alle hare gewenschte dingen uytgebreydt: immers heeft sy aengesien, dat de heydenen in haer Heylichdom gingen, daer van ghy geboden hadt, datse in uwe Gemeynte niet komen en souden. |
| 11 Caph. Al haer volck suchten, broot soeckende, sy hebben hare gewenschte dingen voor spijse gegeven, om de ziele te verquicken: Siet HEERE, ende aenschouwt, dat ick onweert geworden ben. |
| 12 Lamed. En gaet het u lieden niet aen, ghy alle die over wech gaet? schouwt het aen, ende siet, offer eene smerte zy gelijck mijne smerte die my aengedaen is, daermede de HEERE [my] bedroeft heeft ten dage der hitticheyt sijnes toorns. |
| 13 Mem. Van de hoochte heeft hy een vyer in mijne beenderen gesonden, daer over hy geheerscht heeft: hy heeft mijnen voeten een nett uytgebreydt, hy heeft my achterwaerts doen keeren, hy heeft my woest ende sieck gemaeckt den gantschen dach. |
| 14 Nun. Het jock mijner overtredingen is aengebonden door sijne hant, sy zijn t’ samen gevlochten, sy zijn op mijnen hals geklommen: hy heeft mijne kracht doen vervallen; de Heere heeft my in [hare] handen gegeven, ick en kan niet, opstaen. |
| 15 Samech. De Heere heeft alle mijne stercke in ’t midden van my vertreden, hy heeft eene byeenkomste over my uytgeroepen, om mijne jongelingen te verbreken: de Heere heeft de wijnpersse der Ionckvrouwe der dochter Iuda getreden. |
| 16 Ain. Om deser dingen wille weene ick, mijn ooge, mijn ooge vliedt af van water, om dat de trooster, die mijne ziele soude verquicken, verre van my is: mijne kinderen zijn verwoest, om dat de vyant d’ overhant heeft. |
| 17 Pe. Zion breydt hare handen uyt, daer en is geen trooster voor haer: de HEERE heeft van Iacob geboden, dat die rontom hem zijn, sijne tegenpartyders souden zijn: Ierusalem is als eene afgesonderde [vrouwe] onder hen. |
| 18 Tsade. De HEERE is rechtveerdich, want ick ben sijnen monde wederspannich geweest: hoort doch alle ghy volckeren, ende siet mijne smerte: mijne jonckvrouwen, ende mijne jongelingen zijn in de gevanckenisse gegaen. |
| 19 Koph. Ick riep tot mijne liefhebbers, [maer] sy hebben my bedrogen: mijne Priesters, ende mijne Outste, hebben in de Stadt den geest gegeven, als sy spijse voor sich sochten, op datse hare ziele mochten verquicken. |
| 20 Resch. Aensiet HEERE, want my is bange: mijn ingewant is beroert, mijn herte heeft sich omgekeert in ’tbinnenste van my, want ick ben seer wederspannich geweest; van buyten heeft [my] het sweert van kinderen berooft, van binnen is als de doot. |
| 21 Schin. Sy hooren dat ick suchte, [maer] ick en hebbe geenen trooster: alle mijne vyanden hooren mijn quaet, [ende] sy zijn vrolick, dat ghy ’t gedaen hebt: [als] ghy den dach sult voortgebracht hebben, [dien] ghy uytgeroepen hebt, so sullen sy zijn gelijck ick ben. |
| 22 Thau. Laet al haer quaet voor u aengesichte comen, ende doet hen gelijck als ghy my gedaen hebt van wegen alle mijne overtredingen: want mijne suchtingen zijn vele, ende mijn herte is mat. |