Statenvertaling.nl

codex alexandrinus

Handelingen 1 – Griekse tekst en Statenvertaling

Op deze pagina wordt de Griekse tekst van het Nieuwe Testament en de Statenvertaling parallel weergegeven. De Griekse tekst is de reconstructie van de door de vertalers gevolgde tekst. Deze tekst is gebaseerd op de Textus Receptus edities van de 16e en begin 17e eeuw. De verschillen tussen de belangrijkste edities van de Textus Receptus zijn in noten vermeld (zie bijvoorbeeld Matth. 1:11, 23 en 2:11).
(Afkortingen in de noten: St=Stephanus 1550, 1551, B=Beza 1565 t/m 1604, Elz=Elzevir 1624, 1633, Sc=Scrivener 1881, M=Meerderheidstekst, edd=edities, kt=kanttekening.)

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Weergave: Grieks en Statenvertaling zonder kanttekeningen
Grieks en Statenvertaling met kanttekeningen

Πράξεις τῶν ἁγίων ἀποστόλων

1De Handelingen der heilige apostelen, beschreven door 2Lukas

1 Dat is, de historie van hetgeen de heilige apostelen gehandeld of gedaan hebben na de hemelvaart van Christus, het Evangelie door de gehele wereld predikende en overal, uit Joden en heidenen, gemeenten vergaderende.
2 Dat dit boek van den evangelist Lukas geschreven is, blijkt uit het eerste vers van het eerste hoofdstuk, en daaraan is nooit van enige oude of nieuwe uitleggers getwijfeld.
 

Handelingen 1

1 De voorrede van Lukas, waardoor hij dit zijn tweede boek voegt aan zijn Evangelie. 3 Christus verkeert na Zijn opstanding veertig dagen lang met Zijn apostelen. 4 Beveelt hun binnen Jeruzalem te verwachten de zending des Heiligen Geestes. 6 Beantwoordt hun vraag wanneer Hij het Koninkrijk Israëls zal oprichten. 9 Vaart op in den hemel, dat zij het zien. 10 Hetwelk twee engelen getuigen, die ook Zijn wederkomst voorzeggen. 12 De apostelen keren weder naar Jeruzalem. 13 Blijven eendrachtig in het gebed met enige vrouwen en met de moeder van Christus. 15 Petrus verhaalt de voorzeggingen over Judas en zijn uitgang. 21 En vermaant een ander in Judas’ plaats te stellen; tot welk einde twee worden voorgesteld. 24 Uit dewelke, na het gebed, door loting, Matthias tot een apostel gekozen wordt.
  
Inleiding
1 Τὸν μὲν πρῶτον λόγον ἐποιησάμην περὶ πάντων, ὦ Θεόφιλε, ὧν ἤρξατο ὁ Ἰησοῦς ποιεῖν τε καὶ διδάσκειν, 1 HET1 eerste boek heb ik gemaakt, o 2Theófilus, van al hetgeen dat JEZUS begonnen heeft beide te doen en te leren,
1 Gr. De eerste rede, waardoor hij verstaat zijn evangelische historie. Zodat daaruit alsook uit het volgende blijkt, dat de heilige evangelist Lukas ook dit boek heeft geschreven.
2 Van dezen Theofilus zie de aant. op Luk. 1:3. verwijsteksten
   
2 ἄχρι ἧς ἡμέρας, ἐντειλάμενος τοῖς ἀποστόλοις διὰ Πνεύματος Ἁγίου οὓς ἐξελέξατο, ἀνελήφθη· 2 aTot op den dag in welken Hij opgenomen is, nadat Hij 3door den Heiligen Geest aan de apostelen, die Hij 4uitverkoren had, b5bevelen had gegeven;
a Mark. 16:19. Luk. 9:51. 1 Tim. 3:16. verwijsteksten
3 Dit kan in den Grieksen tekst gevoegd worden óf bij de woorden bevelen gegeven, óf bij het woord uitverkoren.
4 Namelijk tot het apostelambt. Zie Matth. 10:1, enz. verwijsteksten
b Joh. 20:21. verwijsteksten
5 Namelijk hoe zij het Evangelie zouden prediken door de gehele wereld, Matth. 28:19. Mark. 16:15, en te Jeruzalem wachten op de zending des Heiligen Geestes, Luk. 24:49. verwijsteksten
   
3 οἷς καὶ παρέστησεν ἑαυτὸν ζῶντα μετὰ τὸ παθεῖν αὐτὸν ἐν πολλοῖς τεκμηρίοις, δι’ ἡμερῶν τεσσαράκοντα ὀπτανόμενος αὐτοῖς, καὶ λέγων τὰ περὶ τῆς βασιλείας τοῦ Θεοῦ. 3 cAan welke Hij ook, nadat Hij geleden had, Zichzelven levend 6vertoond heeft, met vele gewisse 7kentekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen die het Koninkrijk Gods aangaan.
c Mark. 16:14. Joh. 20:19; 21:1. 1 Kor. 15:5. verwijsteksten
6 Gr. voorgesteld, of: tegenwoordig gesteld heeft in vele.
7 Namelijk waaruit klaarlijk is gebleken, dat Hij waarlijk met hetzelfde lichaam van de doden was opgestaan; als daar zijn geweest, dat Hij hun dikwijls is verschenen, met hen dikwijls heeft gesproken en gegeten, en dat zij Zijn littekens gezien en getast hebben, Lukas 24. Johannes 20; 21. verwijsteksten
  
De hemelvaart
4 καὶ *συναλιζόμενος παρήγγειλεν αὐτοῖς ἀπὸ Ἱεροσολύμων μὴ χωρίζεσθαι, ἀλλὰ περιμένειν τὴν ἐπαγγελίαν τοῦ Πατρός, ἣν ἠκούσατέ μου·
* συναλιζόμενος St, B-edd, Elz, M | συναλιζόμενος μετ’ αὐτῶν B-edd, Sc
4 dEn 8als Hij met hen vergaderd was, beval Hij hun dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten 9de belofte des Vaders, edie gij (zeide Hij) van Mij gehoord hebt.
d Luk. 24:48, 49. verwijsteksten
8 Of: als Hij hen bijeenvergaderd had.
9 Dat is, den Heiligen Geest, Dien de Vader door Hem beloofd had hun te zullen zenden, Luk. 24:49. Joh. 14:26. verwijsteksten
e Joh. 14:26; 15:26; 16:7. verwijsteksten
   
5 ὅτι Ἰωάννης μὲν ἐβάπτισεν ὕδατι, ὑμεῖς δὲ βαπτισθήσεσθε ἐν Πνεύματι Ἁγίῳ οὐ μετὰ πολλὰς ταύτας ἡμέρας. 5 fWant Johannes doopte wel met water, gmaar gij zult 10met den Heiligen Geest gedoopt worden, 11niet lang na deze dagen.
f Matth. 3:11. Mark. 1:8. Luk. 3:16. Joh. 1:26. Hand. 11:16; 19:4. verwijsteksten
g Jes. 44:3. Joël 2:28. Hand. 2:4; 11:15. verwijsteksten
10 Gr. in den Heiligen Geest, namelijk Dien Ik op den pinksterdag als water over u zal uitstorten. Hetzelve voorzegt ook Johannes de Doper, Matth. 3:11. verwijsteksten
11 Gr. niet na vele deze dagen, namelijk tien dagen daarna.
   
6 Οἱ μὲν οὖν συνελθόντες ἐπηρώτων αὐτὸν λέγοντες, Κύριε, εἰ ἐν τῷ χρόνῳ τούτῳ ἀποκαθιστάνεις τὴν βασιλείαν τῷ Ἰσραήλ; 6 Zij dan die samengekomen waren, vraagden Hem, zeggende: hHeere, zult Gij in dezen tijd 12aan Israël 13het Koninkrijk wederoprichten?
h Matth. 24:3. verwijsteksten
12 Dat is, aan het volk of de nakomelingen van Israël.
13 Namelijk hetwelk de profeten tevoren hebben gezegd door den Messias te zullen opgericht worden, en zij nog meenden, naar de gemene dwaling, een werelds koninkrijk te zullen zijn.
   
7 εἶπε δὲ πρὸς αὐτούς, Οὐχ ὑμῶν ἐστι γνῶναι χρόνους ἢ καιροὺς οὓς ὁ Πατὴρ ἔθετο ἐν τῇ ἰδίᾳ ἐξουσίᾳ. 7 En Hij zeide tot hen: iHet komt u niet toe te weten de tijden of 14gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft;
i Matth. 24:36. verwijsteksten
14 Namelijk der tijden, op welke God hetgeen Hij verordineerd en beloofd heeft, zal willen uitvoeren.
   
8 ἀλλὰ λήψεσθε δύναμιν, ἐπελθόντος τοῦ Ἁγίου Πνεύματος ἐφ’ ὑμᾶς· καὶ ἔσεσθέ μοι μάρτυρες ἔν τε Ἱερουσαλήμ, καὶ ἐν πάσῃ τῇ Ἰουδαίᾳ καὶ Σαμαρείᾳ, καὶ ἕως ἐσχάτου τῆς γῆς. 8 k15Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; len gij zult 16Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judéa en Samaría, en tot aan het uiterste der aarde.
k Hand. 2:4. verwijsteksten
15 Of: Maar gij zult kracht ontvangen, nadat de Heilige Geest over u zal gekomen zijn.
l Jes. 2:3. Luk. 24:48. Joh. 15:27. Hand. 2:32. verwijsteksten
16 Gr. Mij getuigen zijn, namelijk dat Ik de beloofde Messias en Zaligmaker der wereld ben.
   
9 καὶ ταῦτα εἰπών, βλεπόντων αὐτῶν ἐπήρθη, καὶ νεφέλη ὑπέλαβεν αὐτὸν ἀπὸ τῶν ὀφθαλμῶν αὐτῶν. 9 mEn als Hij dit gezegd had, werd Hij 17opgenomen daar zij het zagen, en een wolk 18nam Hem weg van hun ogen.
m Mark. 16:19. Luk. 24:51. verwijsteksten
17 Dat is, opgeheven lichamelijk en zichtbaarlijk van de aarde naar den hemel, Mark. 16:19. Hebr. 1:3; 8:1, welke van Paulus de derde hemel en het paradijs genoemd wordt, 2 Kor. 12:2, 4. verwijsteksten
18 Of: nam Hem op, en alzo weg van hun ogen.
   
10 καὶ ὡς ἀτενίζοντες ἦσαν εἰς τὸν οὐρανόν, πορευομένου αὐτοῦ, καὶ ἰδοὺ ἄνδρες δύο παρειστήκεισαν αὐτοῖς ἐν ἐσθῆτι λευκῇ, 10 En alzo zij hun ogen naar den hemel hielden terwijl Hij heenvoer, zie, 19twee mannen stonden bij hen n20in witte kleding,
19 Dat is, twee engelen in de gedaante van mannen. Zie Gen. 18:2. verwijsteksten
n Matth. 28:3. verwijsteksten
20 Zo plachten de engelen te verschijnen, om daarmede te tonen de reinheid hunner natuur en dat zij kwamen om blijde dingen te verkondigen. Zie Matth. 28:3. Mark. 16:5. Joh. 20:12. verwijsteksten
   
11 οἳ καὶ εἶπον, Ἄνδρες Γαλιλαῖοι, τί ἑστήκατε ἐμβλέποντες εἰς τὸν οὐρανόν; οὗτος ὁ Ἰησοῦς, ὁ ἀναληφθεὶς ἀφ’ ὑμῶν εἰς τὸν οὐρανόν, οὕτως ἐλεύσεται ὃν τρόπον ἐθεάσασθε αὐτὸν πορευόμενον εἰς τὸν οὐρανόν. 11 Welke ook zeiden: 21Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, ozal 22alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.
21 Zie Hand. 2:7. verwijsteksten
o Dan. 7:13. Matth. 24:30. Mark. 13:26. Luk. 21:27. 1 Thess. 1:10. 2 Thess. 1:10. Openb. 1:7. verwijsteksten
22 Dat is, in zulker wijze, zichtbaarlijk en in een wolk, Mark. 13:26. Luk. 21:27. Openb. 1:7. verwijsteksten
   
12 Τότε ὑπέστρεψαν εἰς Ἱερουσαλὴμ ἀπὸ ὄρους τοῦ καλουμένου Ἐλαιῶνος, ὅ ἐστιν ἐγγὺς Ἱερουσαλήμ, σαββάτου ἔχον ὁδόν. 12 Toen keerden zij weder naar Jeruzalem, van den berg die genaamd wordt 23de Olijfberg, welke is nabij Jeruzalem, 24liggende vandaar 25een sabbatsreis.
23 Gr. olijfgaard, namelijk berg. Van dezen berg zie Matth. 21:1. verwijsteksten
24 Gr. hebbende.
25 Dat is, zover als de Joden mochten gaan op een sabbatdag, op welken het verre reizen verboden was, Ex. 16:29, hetwelk, naar eniger mening, omtrent zeven stadiën is geweest. Zodat (elke stadie gerekend zijnde voor honderd vijf en twintig schreden) het omtrent een kwartier uur gaans zou zijn. En alzo gezegd wordt, Joh. 11:18, dat Bethanië, vanwaar Christus ten hemel is opgevaren, Luk. 24:50, op dezen berg gelegen, vijftien stadiën van Jeruzalem was, zo moet dit verstaan worden van het begin van den Olijfberg, op welken Bethanië nog wat verder lag. verwijsteksten
   
13 καὶ ὅτε εἰσῆλθον, ἀνέβησαν εἰς τὸ ὑπερῷον οὗ ἦσαν καταμένοντες, ὅ τε Πέτρος καὶ Ἰάκωβος καὶ Ἰωάννης καὶ Ἀνδρέας, Φίλιππος καὶ Θωμᾶς, Βαρθολομαῖος καὶ Ματθαῖος, Ἰάκωβος Ἀλφαίου καὶ Σίμων ὁ Ζηλωτής, καὶ Ἰούδας Ἰακώβου. 13 En als zij 26ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal, waar zij bleven, namelijk 27Petrus en Jakobus en Johannes en Andréas, Filippus en Thomas, Bartholoméüs en Matthéüs, Jakobus, de zoon van Alféüs, en Simon Zelótes, en 28Judas, de broeder van Jakobus.
26 Namelijk niet alleen in de stad, maar ook in een huis, hetwelk sommigen menen geweest te zijn het huis van Maria, de moeder van Johannes Markus, waarvan men leest Hand. 12:12. verwijsteksten
27 Van deze apostelen zie Matth. 10:2, enz. verwijsteksten
28 Deze Judas werd alzo toegenaamd om onderscheiden te worden van Judas Iskariot, den verrader; en alzo noemt hij zich ook zelf in zijn zendbrief, vers 1. Was anderszins toegenaamd Lebbeüs, Matth. 10:3. verwijsteksten
   
14 οὗτοι πάντες ἦσαν προσκαρτεροῦντες ὁμοθυμαδὸν τῇ προσευχῇ καὶ τῇ δεήσει, σὺν γυναιξὶ καὶ Μαρίᾳ τῇ μητρὶ τοῦ Ἰησοῦ, καὶ σὺν τοῖς ἀδελφοῖς αὐτοῦ. 14 Deze allen waren eendrachtelijk 29volhardende in het bidden en smeken, met 30de vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus, en met pZijn 31broederen.
29 Dat is, krachtiglijk, standvastelijk en met lijdzaamheid aanhoudende.
30 Namelijk die Christus van Galilea waren gevolgd en Hem hadden gediend, Matth. 27:55, 56. Mark. 15:40. Luk. 23:55. Joh. 19:25, en ook met hun huisvrouwen, die mede van node hadden gesterkt te worden, als zullende metgezellinnen zijn van de reizen harer mannen, 1 Kor. 9:5. verwijsteksten
p Matth. 13:55. verwijsteksten
31 Dat is, neven en bloedverwanten, Matth. 12:46, als daar waren Jakobus en Joses, Simon en Judas, zonen van Maria, Christus’ moeders zuster, Matth. 13:55. verwijsteksten
  
Matthías in Judas’ plaats
15 Καὶ ἐν ταῖς ἡμέραις ταύταις ἀναστὰς Πέτρος ἐν μέσῳ τῶν μαθητῶν εἶπεν (ἦν τε ὄχλος ὀνομάτων ἐπὶ τὸ αὐτὸ ὡς ἑκατὸν εἴκοσιν), 15 En 32in dezelve dagen stond Petrus op in het midden der discipelen, en sprak (er was nu een schare bijeen van omtrent honderd en twintig 33personen):
32 Dat is, op een van die dagen.
33 Gr. namen, dat is, hoofden, of mensen die bij hun namen geteld worden. Zie Openb. 3:4; 11:13. verwijsteksten
   
16 Ἄνδρες ἀδελφοί, ἔδει πληρωθῆναι τὴν γραφὴν ταύτην, ἣν προεῖπε τὸ Πνεῦμα τὸ Ἅγιον διὰ στόματος Δαβὶδ περὶ Ἰούδα, τοῦ γενομένου ὁδηγοῦ τοῖς συλλαβοῦσι τὸν Ἰησοῦν. 16 Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, qwelke de Heilige Geest door den mond van David voorzegd heeft van Judas, rdie de leidsman geweest is dergenen die Jezus vingen;
q Ps. 41:10. Matth. 26:23. Joh. 13:18. verwijsteksten
r Matth. 26:47. Mark. 14:43. Joh. 18:3. verwijsteksten
   
17 ὅτι κατηριθμημένος ἦν σὺν ἡμῖν, καὶ ἔλαχε τὸν κλῆρον τῆς διακονίας ταύτης. 17 sWant hij was met ons 34gerekend en had 35het lot dezer bediening verkregen.
s Matth. 10:4. Mark. 3:19. Luk. 6:16. verwijsteksten
34 Of: geteld.
35 Zo wordt de dienst van het apostelschap genaamd, omdat dezelve van God niet uit verdienste of waardigheid, maar naar Zijn welbehagen gegeven wordt, Hand. 8:21. verwijsteksten
   
18 οὗτος μὲν οὖν ἐκτήσατο χωρίον ἐκ τοῦ μισθοῦ τῆς ἀδικίας, καὶ πρηνὴς γενόμενος ἐλάκησε μέσος, καὶ ἐξεχύθη πάντα τὰ σπλάγχνα αὐτοῦ. 18 Deze dan 36heeft verworven 37een akker 38door het loon 39der ongerechtigheid, ten 40voorwaarts over 41gevallen zijnde, is midden opgeborsten, en al zijn ingewanden zijn uitgestort.
36 Namelijk overmits hij den Joden gelegenheid heeft gegeven, dat die akker door hen gekocht werd om dat geld hetwelk hem voor de verraderij gegeven was, Matth. 27:6, 7. Zodat dit moet verstaan worden niet van het voornemen van Judas, maar van de uitkomst die daarop gevolgd is. verwijsteksten
37 Namelijk den bloedakker, vers 19. verwijsteksten
38 Gr. uit het loon.
39 Dat is, der onrechtvaardige daad der verraderij.
t 2 Sam. 17:23. Matth. 27:5. verwijsteksten
40 Dewijl gezegd wordt, Matth. 27:5, dat hij verworgd is, zo is het gemeen gevoelen, dat hij zichzelven met een strop verhangen heeft, en dat hij alzo voorwaarts over óf in den strop is gevallen, óf de strop gebroken zijnde, voorovergevallen is en geborsten, en dat hij alzo zijn ingewand door een rechtvaardig oordeel Gods uitgestort heeft. Zie dergelijk voorbeeld in Achitofel, 2 Sam. 17:23. verwijsteksten
41 Gr. geworden.
   
19 καὶ γνωστὸν ἐγένετο πᾶσι τοῖς κατοικοῦσιν Ἱερουσαλήμ, ὥστε κληθῆναι τὸ χωρίον ἐκεῖνο τῇ ἰδίᾳ διαλέκτῳ αὐτῶν Ἀκελδαμά, τοῦτ’ ἔστι, χωρίον αἵματος. 19 En het is 42bekend geworden allen die te Jeruzalem wonen, alzo dat die akker 43in hun eigen taal vgenoemd wordt Akeldama, dat is 44een akker des bloeds.
42 Namelijk dat God den verrader Judas met zulk een dood gestraft had.
43 Namelijk in de Syrische of Chaldeeuwse taal, die de Joden na de Babylonische gevangenis gebruikten.
v Matth. 27:8. verwijsteksten
44 Namelijk omdat hij gekocht was om het geld waar het bloed van Christus om verkocht was geweest.
   
20 γέγραπται γὰρ ἐν βίβλῳ Ψαλμῶν, Γενηθήτω ἡ ἔπαυλις αὐτοῦ ἔρημος, καὶ μὴ ἔστω ὁ κατοικῶν ἐν αὐτῇ· καί, Τὴν ἐπισκοπὴν αὐτοῦ λάβοι ἕτερος. 20 Want er staat geschreven in het boek der Psalmen: xZijn 45woonstede worde woest, en er zij niemand die in dezelve wone; y46en: 47Een ander neme zijn 48opzienersambt.
x Ps. 69:26. verwijsteksten
45 David, als een voorbeeld van Christus in den 69sten psalm, spreekt wel in het gemeen van zijn vijanden; doch alzo in denzelven psalm ook van het lijden van Christus geprofeteerd wordt, zo past het de apostel Petrus in het bijzonder op Judas, die een verrader van Christus geweest is.
y Ps. 109:8. verwijsteksten
46 Namelijk wordt op een andere plaats in het boek der Psalmen nog gezegd.
47 David schijnt deze woorden in den 109den psalm wel te spreken van Doëg, die een was van de opperste herders van den koning Saul en hem met de priesters te Nob had verraden; maar overmits David een voorbeeld van Christus geweest is, zo wordt dit ook bekwamelijk op Judas, die den Heere Christus verraden heeft, door Petrus geduid.
48 Hoewel het Griekse woord somtijds allerlei opzienersambten betekent, zo wordt het nochtans hier bijzonderlijk genomen voor het apostelambt van Judas, hetwelk alzo genaamd wordt, omdat de dienaars des Evangelies opzicht hebben over de gemeente, Hand. 20:28. verwijsteksten
   
21 δεῖ οὖν τῶν συνελθόντων ἡμῖν ἀνδρῶν ἐν παντὶ χρόνῳ ἐν ᾧ εἰσῆλθε καὶ ἐξῆλθεν ἐφ’ ἡμᾶς ὁ Κύριος Ἰησοῦς, 21 zHet is dan nodig, dat van de mannen die met ons 49omgegaan hebben al den tijd in welken de Heere Jezus onder ons 50in- en uitgegaan is,
z Hand. 6:3. verwijsteksten
49 Of: vergaderd zijn geweest, namelijk als wij Christus volgden. Onder welke zonder twijfel de zeventig discipelen ook geweest zijn.
50 Dat is, met ons gemeenzaamlijk verkeerd heeft, met ons op en neer gegaan heeft, en Zijn ambt als onze Heere en Meester onder ons bediend heeft. Hebr. Zie Deut. 31:2. Ps. 121:8. Joh. 10:9. verwijsteksten
   
22 ἀρξάμενος ἀπὸ τοῦ βαπτίσματος Ἰωάννου, ἕως τῆς ἡμέρας ἧς ἀνελήφθη ἀφ’ ἡμῶν, μάρτυρα τῆς ἀναστάσεως αὐτοῦ γενέσθαι σὺν ἡμῖν ἕνα τούτων. 22 Beginnende 51van den doop van Johannes, tot den dag toe in welken Hij avan ons opgenomen is, een derzelve met ons getuige worde 52van Zijn opstanding.
51 Dat is, van den tijd dat Johannes heeft begonnen te leren en te dopen; want toen begon de bediening des Evangelies, en kort daarna begon ook Christus Zelf Zijn ambt te bedienen.
a vers 9. verwijsteksten
52 Namelijk, en ook van alle andere leringen en daden van Christus. Doch hier wordt alleen melding gemaakt van Zijn opstanding, omdat Hij daardoor krachtiglijk is bewezen te zijn de Zone Gods en de ware Messias, Hand. 2:32. Rom. 1:4. verwijsteksten
   
23 καὶ ἔστησαν δύο, Ἰωσὴφ τὸν καλούμενον Βαρσαβᾶν, ὃς ἐπεκλήθη Ἰοῦστος, καὶ Ματθίαν. 23 bEn zij stelden er twee, 53Jozef genaamd Bársabas, die toegenaamd was Justus, en Matthías.
b Hand. 6:6. verwijsteksten
53 Deze wordt in sommige boeken genaamd Joses, en wordt gehouden een broeder geweest te zijn van Jakobus den jonge.
   
24 καὶ προσευξάμενοι εἶπον, Σὺ Κύριε καρδιογνῶστα πάντων, ἀνάδειξον ἐκ τούτων τῶν δύο *ἕνα ὃν ἐξελέξω,
* ἕνα ὃν St, B-edd, Elz | ὃν ἕνα B-edd, Sc
24 En zij baden en zeiden: 54Gij Heere, cGij 55Kenner der harten van allen, 56wijs van deze twee een aan, dien Gij uitverkoren hebt
54 Zie de reden hiervan in de aant. op Gal. 1:1. verwijsteksten
c 1 Sam. 16:7. 1 Kron. 28:9; 29:17. Ps. 7:10. Jer. 11:20; 17:10; 20:12. Hand. 15:8. Openb. 2:23. verwijsteksten
55 Dat is, Gij Die weet hoe zij inwendiglijk in het hart gesteld zijn.
56 Namelijk door het lot, hetwelk van U gestierd wordt, Spr. 16:33. verwijsteksten
   
25 λαβεῖν τὸν κλῆρον τῆς διακονίας ταύτης καὶ ἀποστολῆς, ἐξ ἧς παρέβη Ἰούδας, πορευθῆναι εἰς τὸν τόπον τὸν ἴδιον. 25 Om te ontvangen 57het lot dezer bediening en des apostelschaps, waarvan Judas 58afgeweken is, dat hij heenging 59in zijn eigen plaats.
57 Zie vers 17. verwijsteksten
58 Of: afgetreden is, dat is, waar Judas om zijn boosheid uitgevallen is.
59 Namelijk die hem en zijns gelijken van God naar Zijn rechtvaardig oordeel verordineerd is, en de plaats der pijn genaamd wordt, Luk. 16:28. verwijsteksten
   
26 καὶ ἔδωκαν κλήρους αὐτῶν, καὶ ἔπεσεν ὁ κλῆρος ἐπὶ Ματθίαν, καὶ συγκατεψηφίσθη μετὰ τῶν ἕνδεκα ἀποστόλων. 26 En zij 60wierpen hun loten; en het 61lot viel op Matthías, en hij werd 62met gemene toestemming tot de elf apostelen gekozen.
60 Gr. gaven hun loten, namelijk van Jozef en Matthias, uit welke een door het lot zou verkoren worden, opdat alzo zijn beroeping tot het apostelschap als van God Zelven zou komen.
61 Zie dergelijke in de verkiezing van Saul tot het koningsambt, 1 Sam. 10:20. verwijsteksten
62 Dat is, zij hebben allen deze Goddelijke verkiezing goedgekeurd en aangenomen.

Einde Handelingen 1