Statenvertaling.nl

sample header image

Hebreeën 12 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Hebreeën 12

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Opwekking tot volharding
1 DAAROM dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, alaat ons afleggen allen last en de zonde die ons lichtelijk omringt, en laat ons bmet lijdzaamheid clopen de loopbaan die ons voorgesteld is; a Rom. 6:4. Ef. 4:22. Kol. 3:8. 1 Petr. 2:1, 2. b Rom. 12:12. Hebr. 10:36. c 1 Kor. 9:24. verwijsteksten
2 Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, dDewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand evan den troon Gods. d Luk. 24:26. Filipp. 2:8, 9, enz. 1 Petr. 1:11. e Hebr. 1:3; 8:1. verwijsteksten
3 Want aanmerkt Dezen, Die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen.
4 fGij hebt nog tot den bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde; f 1 Kor. 10:13. verwijsteksten
5 En gij hebt vergeten de vermaning die tot u als tot zonen spreekt: gMijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijk niet als gij van Hem bestraft wordt; g Job 5:17. Spr. 3:11. Openb. 3:19. verwijsteksten
6 Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon dien Hij aanneemt.
7 Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God jegens u als zonen; (want wat zoon is er dien de vader niet kastijdt?)
8 Maar indien gij zonder kastijding zijt, welker allen deelachtig zijn geworden, zo zijt gij dan bastaarden en niet zonen.
9 Voorts, wij hebben de vaders onzes vleses wel tot kastijders gehad, en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veel meer den Vader der geesten onderworpen zijn, en leven?
10 Want genen hebben ons wel voor een korten tijd, naar dat het hun goeddacht, gekastijd; maar Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden.
11 En alle kastijding, als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen die door dezelve geoefend zijn.
12 hDaarom, richt wederop de trage handen en de slappe knieën; h Jes. 35:3. verwijsteksten
13 En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veelmeer genezen worde.
14 iJaagt den vrede na met allen, en kde heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal; i Rom. 12:18. 2 Tim. 2:22. k Matth. 5:8. verwijsteksten
15 lToeziende dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet menige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, nberoerte make, en door dezelve velen ontreinigd worden. l 2 Kor. 6:1. m Deut. 29:18. n Hand. 17:13. Gal. 5:12. verwijsteksten
16 oDat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, pgelijk Ezau, die om één spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf. o Ef. 5:3. Kol. 3:5. 1 Thess. 4:3. p Gen. 25:33. verwijsteksten
17 qWant gij weet dat hij ook daarna, de zegening willende beërven, verworpen werd; want hij vond geen plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht. q Gen. 27:36. verwijsteksten
 
Onze God is een verterend Vuur
18 Want gij zijt niet gekomen rtot den tastelijken berg, sen het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder, r Ex. 19:10, enz.; 20:21. s Ex. 19:16. Deut. 5:22. verwijsteksten
19 En tot het geklank der bazuin, en de stem der woorden; welke die ze hoorden, tbaden dat het woord tot hen niet meer zou gedaan worden t Ex. 20:19. Deut. 5:25; 18:16. verwijsteksten
20 (Want zij konden niet dragen hetgeen er geboden werd: vIndien ook een gedierte den berg aanraakt, het zal gestenigd of met een pijl doorschoten worden. v Ex. 19:13. verwijsteksten
21 En Mozes, zo vreselijk was het gezicht, zeide: Ik ben gans bevreesd en bevende).
22 Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion en de stad des levenden Gods, tot xhet hemelse Jeruzalem en de vele duizenden der engelen; x Gal. 4:26. Openb. 3:12; 21:10, enz. verwijsteksten
23 Tot de algemene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die yin de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen; y Luk. 10:20. verwijsteksten
24 En tot den Middelaar des Nieuwen Testaments, Jezus, en het bloed zder besprenging, dat betere dingen spreekt dan aAbel. z Hebr. 10:22. 1 Petr. 1:2. a Gen. 4:10. Hebr. 11:4. verwijsteksten
25 bZiet toe dat gij Dien Die spreekt, niet verwerpt; want indien dezen niet zijn ontvloden, die dengene verwierpen welke op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veel meer zullen wij niet ontvlieden, zo wij ons van Dien afkeren Die van de hemelen is, b Hebr. 2:3. verwijsteksten
26 Wiens stem toen de aarde bewoog; maar nu heeft Hij verkondigd, zeggende: cNog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook den hemel. c Hagg. 2:7. verwijsteksten
27 En dit woord: Nog eenmaal, wijst aan de verandering der beweeglijke dingen, als welke gemaakt waren; opdat blijven zouden de dingen die niet beweeglijk zijn.
28 Daarom, alzo wij een onbeweeglijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, ddoor dewelke wij welbehaaglijk God mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid. d 1 Petr. 2:5. verwijsteksten
29 eWant onze God is een verterend Vuur. e Deut. 4:24. verwijsteksten

Einde Hebreeën 12