Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
Og wordt verslagen |
1 DAARNA akeerden wij ons en togen op, den weg van Basan; en Og, de koning van Basan, trok uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde bij Edréï. a Num. 21:33. Deut. 29:7. |
a Num. 21:33 Toen wendden zij zich en trokken op den weg van Basan; en Og, de koning van Basan, ging uit hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot den strijd, in Edréï. Deut. 29:7 Toen gij nu kwaamt aan deze plaats, toog Sihon, de koning van Hesbon, uit, en Og, de koning van Basan, ons tegemoet ten strijde, en wij sloegen hen. |
2 Toen zeide de HEERE tot mij: Vrees hem niet, want Ik heb hem en al zijn volk en zijn land in uw hand gegeven; en gij zult hem doen bgelijk als gij Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt. b Num. 21:34. |
b Num. 21:34 De HEERE nu zeide tot Mozes: Vrees hem niet, want Ik heb hem in uw hand gegeven en al zijn volk, ook zijn land; en gij zult hem doen, gelijk als gij Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt. |
3 En de HEERE onze God gaf ook Og, den koning van Basan, en al zijn volk in onze hand, zodat wij hem sloegen, totdat wij hem niemand lieten overblijven. |
4 En wij namen te dien tijde al zijn steden; er was geen stad die wij van hen niet namen: zestig steden, de ganse landstreek van Argob, het koninkrijk van Og in Basan. |
5 Al die steden waren met hoge muren, poorten en grendels gesterkt; behalve zeer vele onbemuurde steden. |
6 En wij verbanden dezelve, gelijk wij Sihon, den koning van Hesbon, gedaan hadden, verbannende alle steden, mannen, vrouwen en kinderkens. |
7 Doch al het vee en den roof van die steden roofden wij voor ons. |
8 Zo namen wij te dien tijde het land uit de hand van de twee koningen der Amorieten die aan deze zijde van de Jordaan waren, van de beek Arnon tot den berg Hermon toe: |
9 (De Sidoniërs noemen Hermon Sirjon, maar de Amorieten noemen hem Senir.) |
10 Al de steden van het platte land, en het ganse Gilead en het ganse Basan tot Salcha en Edréï toe, steden van het koninkrijk van Og in Basan. |
11 Want Og, de koning van Basan, was alleen van de overigen der reuzen overgebleven; zie, zijn bedstede, zijnde een bedstede van ijzer, is zij niet te Rabba der kinderen Ammons? Negen ellen is haar lengte en vier ellen haar breedte, naar eens mans elleboog. |
Verdeling van het Overjordaanse |
12 Ditzelve land nu cnamen wij te dien tijde in bezit; van Aroër af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte van Gilead, met de steden van hetzelve, gaf ik den Rubenieten en Gadieten. c Num. 32:33. |
c Num. 32:33 Alzo gaf Mozes hunlieden, den kinderen van Gad en den kinderen van Ruben en den halven stam van Manasse, Jozefs zoon, het koninkrijk van Sihon, koning der Amorieten, en het koninkrijk van Og, koning van Basan, het land met de steden van hetzelve in de landpalen, de steden des lands rondom. |
13 En het overige van Gilead, mitsgaders het ganse Basan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan den halven stam van Manasse, de ganse landstreek van Argob, door het ganse Basan; datzelve werd genoemd het land der reuzen. |
14 Jaïr, de zoon van Manasse, kreeg de ganse landstreek van Argob, tot aan de landpale der Gesurieten en Maächatieten; en hij noemde ze naar zijn naam: Basan Havvot-Jaïr, tot op dezen dag. |
15 En aan Machir gaf ik Gilead. |
16 Maar aan de Rubenieten en Gadieten gaf ik van Gilead af tot aan de beek Arnon, het midden van de beek en de landpale, en tot aan de beek Jabbok, de landpale der kinderen Ammons; |
17 Daartoe het vlakke veld en de Jordaan, mitsgaders de landpale; van Cinnéreth af tot aan de zee des vlakken velds, de Zoutzee, onder Asdoth-Pisga tegen het oosten. |
18 Voorts gebood ik dulieden terzelfder tijd, zeggende: De HEERE uw God heeft u dit land gegeven om het te erven; allen dan, die strijdbare mannen zijt, trekt gewapend door voor het aangezicht van uw broederen, de kinderen Israëls; d Num. 32:20. |
d Num. 32:20 Toen zeide Mozes tot hen: Indien gij deze zaak doen zult, indien gij u voor het aangezicht des HEEREN zult toerusten ten strijde, |
19 Behalve uw vrouwen en uw kinderkens en uw vee (ik weet dat gij veel vee hebt), zij zullen blijven in uw steden, die ik u gegeven heb; |
20 Totdat de HEERE uw broederen rust geve gelijk ulieden, dat zij ook erven het land dat de HEERE uw God hun geven zal aan gene zijde der Jordaan; dan zult gij wederkeren, elk tot zijn erfenis die ik u gegeven heb. |
21 Ook egebood ik Jozua terzelfder tijd, zeggende: Uw ogen, die zien alles wat de HEERE ulieder God aan deze twee koningen gedaan heeft; alzo zal de HEERE aan alle koninkrijken doen, naar dewelke gij henen doortrekt. e Num. 27:18. |
e Num. 27:18 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Neem tot u Jozua, den zoon van Nun, een man in wien de Geest is; en leg uw hand op hem, |
22 Vreest hen niet, want de HEERE uw God, Die strijdt voor ulieden. |
Mozes mag Kanaän niet in |
23 Ook bad ik den HEERE om genade, zeggende terzelfder tijd: |
24 Heere HEERE, Gij hebt begonnen Uw knecht te tonen Uw grootheid en Uw sterke hand; want fwat god is er in den hemel en op de aarde, die doen kan naar Uw werken en naar Uw mogendheden. f Ps. 89:7, 8, 9. |
f Ps. 89:7 Want wie mag in den hemel tegen den HEERE geschat worden? Wie is den HEERE gelijk onder de kinderen der sterken? Ps. 89:8 God is grotelijks geducht in den raad der heiligen, en vreselijk boven allen die rondom Hem zijn. Ps. 89:9 O HEERE, God der heirscharen, wie is als Gij, grootmachtig, o HEERE? En Uw getrouwheid is rondom U. |
25 Laat mij toch overtrekken en dat goede land bezien, dat aan gene zijde van de Jordaan is, dat goede gebergte en den Libanon! |
26 gDoch de HEERE verstoorde Zich zeer om uwentwil over mij en hoorde niet naar mij; maar de HEERE zeide tot mij: Het zij u genoeg; spreek niet meer tot Mij van deze zaak. g Deut. 1:37; 31:2; 34:4. |
g Deut. 1:37 Ook vertoornde Zich de HEERE op mij om uwentwil, zeggende: Gij zult daar ook niet inkomen. Deut. 31:2 En zeide tot hen: Ik ben heden honderd en twintig jaar oud, ik zal niet meer kunnen uitgaan en ingaan; daartoe heeft de HEERE tot mij gezegd: Gij zult over deze Jordaan niet gaan. Deut. 34:4 En de HEERE zeide tot hem: Dit is het land dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Uw zaad zal Ik het geven. Ik heb het u met uw ogen doen zien, maar gij zult daarheen niet overgaan. |
27 Klim op de hoogte van Pisga, en hef uw ogen op naar het westen en naar het noorden en naar het zuiden en naar het oosten, en zie toe met uw ogen; want gij zult over deze Jordaan niet gaan. |
28 Gebied dan Jozua, en versterk hem en bekrachtig hem; want hij zal voor het aangezicht van dit volk heen overgaan en zal hen dat land dat gij zien zult, doen erven. |
29 Alzo bleven wij in dit dal tegenover Beth-Peor. |