Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
| 1 TOEN kwamen tot Jezus enige schriftgeleerden en farizeeën, die van Jeruzalem waren, zeggende: |
| 2 Waarom overtreden Uw discipelen de inzetting der ouden? Want zij wassen hun handen niet wanneer zij brood zullen eten. |
| 3 Maar Hij antwoordende zeide tot hen: Waarom overtreedt ook gij het gebod Gods door uw inzetting? |
| 4 Want God heeft geboden, zeggende: Eer uw vader en moeder; en: Wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven. |
| 5 Maar gij zegt: Zo wie tot vader of moeder zal zeggen: Het is een gave, zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen; en zijn vader of zijn moeder geenszins zal eren, die voldoet. |
| 6 En gij hebt alzo Gods gebod krachteloos gemaakt door uw inzetting. |
| 7 Gij geveinsden, wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende: |
| 8 Dit volk genaakt Mij met hun mond en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij; |
| 9 Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen die geboden van mensen zijn. |
| 10 En als Hij de schare tot Zich geroepen had, zeide Hij tot hen: Hoort en verstaat. |
| 11 Hetgeen ten monde ingaat, ontreinigt den mens niet; maar hetgeen ten monde uitgaat, dat ontreinigt den mens. |
| 12 Toen kwamen Zijn discipelen tot Hem en zeiden tot Hem: Weet Gij wel dat de farizeeën deze rede horende, geërgerd zijn geweest? |
| 13 Maar Hij antwoordende zeide: Alle plant die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden. |
| 14 Laat hen varen; zij zijn blinde leidslieden der blinden. Indien nu de blinde den blinde leidt, zo zullen zij beiden in de gracht vallen. |
| 15 En Petrus antwoordende zeide tot Hem: Verklaar ons deze gelijkenis. |
| 16 Maar Jezus zeide: Zijt ook gijlieden alsnog onwetend? |
| 17 Verstaat gij nog niet, dat al wat ten monde ingaat, in den buik komt en in de heimelijkheid wordt uitgeworpen? |
| 18 Maar die dingen die ten monde uitgaan, komen voort uit het hart, en dezelve ontreinigen den mens. |
| 19 Want uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen. |
| 20 Deze dingen zijn het die den mens ontreinigen; maar het eten met ongewassen handen ontreinigt den mens niet. |
| 21 En Jezus vandaar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon. |
| 22 En zie, een Kananese vrouw uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner; mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten. |
| 23 Doch Hij antwoordde haar niet een woord. En Zijn discipelen tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U, want zij roept ons na. |
| 24 Maar Hij antwoordende zeide: Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis Israëls. |
| 25 En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij! |
| 26 Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen en den hondekens voor te werpen. |
| 27 En zij zeide: Ja Heere; doch de hondekens eten ook van de brokskens die er vallen van de tafel hunner heren. |
| 28 Toen antwoordde Jezus en zeide tot haar: O vrouw, groot is uw geloof; u geschiede gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelve ure. |
| 29 En Jezus vandaar vertrekkende, kwam aan de Zee van Galiléa, en klom op den berg en zat daar neder. |
| 30 En vele scharen zijn tot Hem gekomen, hebbende bij zich kreupelen, blinden, stommen, lammen en vele anderen, en wierpen hen voor de voeten van Jezus, en Hij genas dezelve; |
| 31 Alzo dat de scharen zich verwonderden, ziende de stommen sprekende, de lammen gezond, de kreupelen wandelende, en de blinden ziende; en zij verheerlijkten den God Israëls. |
| 32 En Jezus Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare, omdat zij nu drie dagen bij Mij gebleven zijn en hebben niet wat zij eten zouden; en Ik wil hen niet nuchter van Mij laten, opdat zij op den weg niet bezwijken. |
| 33 En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Vanwaar zullen wij zovele broden in de woestijn bekomen, dat wij zulk een grote schare zouden verzadigen? |
| 34 En Jezus zeide tot hen: Hoevele broden hebt gij? Zij zeiden: Zeven, en weinige visjes. |
| 35 En Hij gebood de scharen neder te zitten op de aarde. |
| 36 En Hij nam de zeven broden en de vissen, en als Hij gedankt had, brak Hij ze en gaf ze Zijn discipelen, en de discipelen gaven ze de schare. |
| 37 En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op het overschot der brokken, zeven volle manden. |
| 38 En die daar gegeten hadden, waren vierduizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen. |
| 39 En de scharen van Zich gelaten hebbende, ging Hij in het schip en kwam in de landpalen van Mágdala. |