Statenvertaling.nl

sample header image

Ezechiël 25 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Ezechiël 25

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Profetieën tegen de Ammonieten en Moabieten, vanwege hun blijdschap over de verstoring des tempels en de ellende van Gods volk, vss. 1, 2, enz., 8, 9, enz. Tegen de Edomieten en Filistijnen, vanwege hun wraakgierigheid en wreedheid tegen Gods volk, 12, enz., 15, enz.
 
Profetie tegen Ammon
1 EN des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
2 Mensenkind, a1zet uw aangezicht tegen de 2kinderen Ammons, en profeteer tegen dezelve,
a Jer. 49:1, enz. verwijsteksten
1 Zie Ez. 6 op vers 2. verwijsteksten
2 Zie Jer. 49:1, enz. Ez. 21:28, enz. Ammonieten, Moabieten, Edomieten en Filistijnen waren allen vijanden van Gods volk; Ammon en Moab in het oosten over de Jordaan, Edom in het zuiden, de Filistijnen in het westen langs de Middellandse Zee. verwijsteksten
 
3 En zeg tot de kinderen Ammons: Hoort des Heeren HEEREN woord: Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat gij gezegd hebt: 3Heah! over Mijn heiligdom als het 4ontheiligd werd, en over het land Israëls als het verwoest werd, en over het huis van Juda als zij in gevangenis gingen,
3 Dat is, uw lust daarin geschept, en daarover gejuicht hebt. Zie Job 39:28. Ps. 35:21, met de aantt. Alzo Ez. 26:2. verwijsteksten
4 Als Ez. 24:21. verwijsteksten
 
4 Daarom, zie, Ik zal u aan 5die van het oosten overgeven tot een bezitting, dat zij hun 6burchten in u zetten, en hun woningen in u stellen; die zullen uw vruchten eten, en die zullen uw melk drinken.
5 Hebr. de kinderen van het oosten. Hierdoor verstaan sommigen de Chaldeeën of Babyloniërs; maar omdat de Heilige Schrift doorgaans zegt dat de Chaldeeën van het noorden zouden komen, zo verstaan het anderen van de oosterse natiën, die oostwaarts aan Ammon grensden, als de Arabieren, die zich in tenten onthielden, Kedarenen, enz., hebbende menigte van kemels en vee, genegen om goede weiden te zoeken, en in de Schrift onder die van het oosten gemeenlijk begrepen. Dezen (zovelen als er van Nebukadnezar waren overgelaten of overzien) zouden het land der Ammonieten, van de Chaldeeën verstoord en de inwoners weggevoerd zijnde, tot gerief voor hun vee hebben ingenomen en bezeten. Zie Gen. 29:1. Richt. 6:3; 8:11. Job 1:3. Jes. 60:6, 7. Jer. 49:28, 29, 31, 32, met de aantt. verwijsteksten
6 Of: sloten, paleizen, statelijke gebouwen, magnifieke huizen.
 
5 En Ik zal 7Rabba tot een 8kemelstal maken, en 9de kinderen Ammons tot een 10schaapskooi; en gij zult weten dat Ik de HEERE ben.
7 De koninklijke hoofdstad der Ammonieten. Zie 2 Sam. 11 op vers 1. verwijsteksten
8 Voor de kemels van die van het oosten.
9 Dat is, hun land.
10 Voor de schapen van die van het oosten.
 
6 Want alzo zegt de Heere HEERE: Omdat gij met de hand 11geklapt en met den voet gestampt hebt, en 12van harte verblijd zijt geweest in al uw 13plundering over het land Israëls,
11 Van grote vreugde en vermaak over de ellenden der Joden, alsof zij zeiden: Heah, zo zo, dat is toch te goed, dat gaat wel. Vgl. vers 3. Ez. 6 op vers 11. verwijsteksten
12 Of: met lust. Zie Ps. 27 op vers 12. Alzo vers 15. Of aldus: en verblijd zijt geweest in al uw gretige plundering. Hebr. in of met de ziel. Vgl. Ez. 36:5. verwijsteksten
13 Of: spijt, insgelijks: versmading. Als vers 15. Ez. 16:57. verwijsteksten
 
7 Daarom, zie, Ik zal Mijn hand tegen u 14uitstrekken, en u den heidenen ten buit geven, en zal u 15uit de volken uitroeien, en u uit de landen verdoen; Ik zal u verdelgen, en gij zult weten dat Ik de HEERE ben.
14 Zie Ez. 14 op vers 9. Alzo onder, vss. 3, 16. verwijsteksten
15 Dat gij voor geen volk noch land meer zult gerekend worden.
 
Profetie tegen Moab
8 Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat b16Moab en 17Seïr zeggen: Zie, het huis van Juda is 18gelijk al de heidenen;
b Jer. 48:1, enz. verwijsteksten
16 Zie Jer. 48:1, enz. verwijsteksten
17 Dat is, het land Edom, en voorts de Edomieten, Ezaus nakomelingen, aan dewelke dit land toegevallen was van Seïrs nakomelingen. Zie Gen. 36 op vers 20. Alzo Ez. 35:2, enz. En wijders van Edom Jer. 49:7. Obadja vs. 1, enz. verwijsteksten
18 Dat is, zij hebben zich ingebeeld, dat zij een bijzonder eigendom en volk Gods waren, en een voorrang bij Hem hadden boven andere natiën, maar het blijkt nu wel anders, omdat zij niet meer van de Babyloniërs verschoond worden dan anderen; spottende alzo met Gods verbond en Zijn kerk, ja, met den God Israëls Zelven.
 
9 Daarom, zie, Ik zal de 19zijde van Moab openen, van de steden af, van zijn steden die van zijn 20grenzen af zijn, het sieraad des lands, 21Beth-Jesimôth, Baäl-Meon, 22en tot Kirjatháïm toe;
19 Dat is, Ik zal die van het oosten (als volgt vers 10) in de beste en sterkste plaatsen en contreien van het land een open intocht bereiden. verwijsteksten
20 Hebr. uiterste, of einde.
21 Dit waren van de voornaamste steden der Moabieten, tussen de beek Arnon en de Jordaan gelegen.
22 Of: en Kirjathaïm.
 
10 Voor die van het 23oosten, 24met het land der kinderen Ammons, hetwelk Ik ter 25bezitting zal overgeven, opdat der kinderen Ammons onder de heidenen niet meer cgedacht worde.
23 Zie op vers 4. God wil zeggen: Gelijk Hij Ammons land aan die van het oosten heeft overgegeven, alzo zal Hij ook der Moabieten land voor hen openen. verwijsteksten
24 Of: boven, benevens.
25 Voor die van het oosten, als vers 4. verwijsteksten
c Ez. 21:32. verwijsteksten
 
11 Ik zal ook in Moab gerichten oefenen; en zij zullen weten dat Ik de HEERE ben.
 
Profetie tegen Edom
12 Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat 26Edom met 27enkel wraakgierigheid gehandeld heeft tegen het huis van Juda, en 28zij zich zeer schuldig gemaakt hebben, dat zij zich aan 29hen gewroken hebben:
26 Boven genaamd Seïr, vers 8. verwijsteksten
27 Hebr. gedaan of gehandeld heeft in of met wreken van wraak, of met wraak te wreken. Vgl. vers 15. verwijsteksten
28 De Edomieten.
29 Aan de Joden, uit den ouden haat, dien zij van hun voorvader Ezau geërfd hebben. Zie Gen. 27:41. 2 Kron. 28:17. Ps. 137:7. Amos 1:11. Obadja vs. 11, enz. verwijsteksten
 
13 Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal ook Mijn hand 30uitstrekken tegen Edom, en Ik zal mens en beest uit 31haar uitroeien, en zal haar tot een woestheid stellen van 32Theman af; en zij zullen tot Dedan toe door het zwaard vallen.
30 Als vers 7. verwijsteksten
31 Het land van Edom, of Idumea.
32 Zie Jer. 49 op vers 7. verwijsteksten
 
14 En Ik zal Mijn wraak 33doen aan Edom, 34door de hand van Mijn volk Israël; en zij zullen 35tegen Edom naar Mijn toorn en naar Mijn grimmigheid handelen; alzo zullen zij Mijn wraak gewaarworden, spreekt de Heere HEERE.
33 Hebr. geven, leggen, stellen tegen of aan, onder, op, enz., als vers 17. verwijsteksten
34 Dat is (als sommigen dit verklaren), door dezelfde hand, met dewelke Ik Mijn volk Juda geslagen heb (namelijk het heir der Babyloniërs) zal Ik Mijn wraak ook aan u uitvoeren. Zie Jer. 49:19 met de aant. Doch anderen nemen het geestelijk: door de hand, dat is, door het middel, den dienst, of de macht Mijner kerk in hun Hoofd Jezus Christus, Die de vijanden Zijns volks zal dempen. Vgl. Jes. 11:14. Jer. 49:2. Obadja vs. 19, met de aantt. Van enige lichamelijke wraken die de Joden of Israëlieten aan Edom in volgende tijden zouden hebben gedaan, leest men niets dan hetgeen in het tweede boek der Makkabeeën, hfdst. 10:15, 16, en vervolgens verhaald wordt. verwijsteksten
35 Of: in, met Edom.
 
Profetie tegen de Filistijnen
15 Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat de 36Filistijnen door wraak gehandeld hebben, en 37van harte wraak 38geoefend hebben door 39plundering, om te vernielen door een 40eeuwige vijandschap;
36 Zie 2 Kron. 28:18. Joël 3:4. Amos 1:6, 7, 8. verwijsteksten
37 Of: met lust, als vers 6. verwijsteksten
38 Hebr. gewroken.
39 Of: spijt, versmading; als vers 6. verwijsteksten
40 Hebr. vijandschap der eeuwigheid of oudheid.
 
16 Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik 41strek Mijn hand uit tegen de Filistijnen, en zal de 42Cheretim uitroeien, en het overblijfsel van de 43zeehaven verdoen.
41 Als vers 7. verwijsteksten
42 Dit schijnt de naam geweest te zijn van een contreie in der Filistijnen land, doch daardoor worden de Filistijnen in het gemeen verstaan, als 1 Sam. 30:14, 16, zie aldaar, insgelijks Zef. 2:5. Doch in het Hebreeuws passen de woorden Cheretim en uitroeien vernuftiglijk op elkander, alsof men zeide: Ik zal die uitroeiers uitroeien. verwijsteksten
43 Zie Jer. 47:7. Zef. 2:5, 6. verwijsteksten
 
17 En Ik zal grote wraak met 44grimmige straffingen onder hen doen; en zij zullen weten dat Ik de HEERE ben, als Ik Mijn wraak aan hen 45gedaan zal hebben.
44 Hebr. straffingen der grimmigheid.
45 Hebr. gegeven, enz., als vers 14. verwijsteksten

Einde Ezechiël 25