Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
Vermaning tot milddadigheid aan de armen, zonder aan te zien hun onwaardigheid, vs. 1, enz. Altijd voor ogen hebbende de voorzienigheid Gods, 5. Zonder nochtans den arbeid te verzuimen, 6. Het leven is den mensen zoet, nochtans zijn de kwade dagen meer dan de goede, 7. Vermaning aan de jongelieden, dat zij in hun geneugten altijd aan het oordeel des Heeren moeten gedenken, 9. |
Tot arbeid geroepen |
1 WERP1 uw brood uit 2op het water, want 3gij zult het vinden 4na vele dagen. | | 1 Dat is, doe wel aan een iegelijk, zo bekenden als onbekenden. |
2 Hebr. op het aangezicht des waters of der wateren. Verstaande bij het water de armen, die niet hebben om wederom te vergelden, zodat het schijnt verloren te zijn wat men hun geeft. Aldus spreken wij ook: Het is zoveel alsof men het in het water of in de zee wierp. |
3 Dat is, God zal het u wedergeven; ja, wellicht ook wel de mens zelf dien gij overlang enige weldaad of hulp gedaan hebt. |
4 Hebr. na veelheid van dagen, dat is, nadat vele dagen of jaren zullen vervloten zijn. |
2 5Geef aeen deel aan 6zeven, ja, ook aan 6acht; 7want gij weet niet wat kwaad op de aarde wezen zal. | | 5 Te weten uw aalmoezen, of uw brood. |
a 2 Kor. 9:10. 2 Kor. 9:10 Doch Die het zaad den zaaier verleent, Die verlene ook brood tot spijze, en vermenigvuldige uw gezaaisel en vermeerdere de vruchten uwer gerechtigheid; |
6 . 6 Een zeker getal voor een onzeker, als Spr. 6:16. Micha 5:4. Christus zegt: Geef een iegelijk die het begeert, Luk. 6:30. Vgl. Deut. 15:7, 8. Spr. 6:16 Deze zes haat de HEERE, ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel: Micha 5:4 En Deze zal Vrede zijn; wanneer Assur in ons land zal komen, en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zo zullen wij tegen hem stellen zeven herders en acht vorsten uit de mensen. Luk. 6:30 Maar geef een iegelijk die van u begeert; en van dengene die het uwe neemt, eis niet weder. Deut. 15:7 Wanneer er onder u een arme zal zijn, een uit uw broederen, in een uwer poorten, in uw land dat de HEERE uw God u geven zal, zo zult gij uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broeder die arm is; Deut. 15:8 Maar gij zult hem uw hand mildelijk opendoen, en zult hem rijkelijk lenen, genoeg voor zijn gebrek dat hem ontbreekt. |
7 Alsof hij zeide: De tijd kan komen dat gij van al het uwe beroofd en tot een bedelaar gemaakt zult worden; dan zult gij wel wensen, dat anderen u ook milden bijstand deden; doe dan ook alzo bij anderen. Zie Luk. 16:9. Gal. 6:9. Luk. 16:9 En Ik zeg ulieden: Maakt uzelven vrienden uit den onrechtvaardigen Mammon, opdat wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen. Gal. 6:9 Doch laat ons goeddoende, niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien, zo wij niet verslappen. |
3 8Als de wolken vol geworden zijn, 9zo storten zij plasregen uit op de aarde; en 10als de boom naar het zuiden of als hij naar het noorden valt, in de plaats waar de boom valt, daar zal hij wezen. | | 8 Hij wil zeggen, dat de rijken aan de armen hun milddadigheid rijkelijk behoorden te betonen, gelijk de regen het dorre land rijkelijk bevochtigt, zonder onderscheid van plaatsen of akkers; God doet Zijn regen vallen zowel over de kwaden als over de goeden. |
9 Hebr. zo ledigen zij. |
10 De zin is: Gelijk een boom die eens valt of geveld wordt, niet wederom opstaat en geen vruchten meer draagt; alzo ook, wanneer wij eens gestorven zijn, hetzij in wat staat het moge zijn naar de ziel, zo staan wij niet weder op om wederom in dit tijdelijke leven te komen, zodat wij na onzen dood den armen niet meer iets geven of mededelen kunnen; en behoren derhalve goed te doen in dit leven. Zie Gal. 6:10. Gal. 6:10 Zo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goeddoen aan allen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs. |
4 11Wie op den wind acht geeft, die zal niet zaaien, en wie op de wolken ziet, die zal niet maaien. | | 11 Salomo wil zeggen: Wie al te bezorgd op wind en weder past, en van tijd tot tijd nog al beter weder verwacht, niet willende zaaien totdat hij weder heeft hetwelk geheel naar zijn wens en wil is, die zal niet lichtelijk aan het zaaien komen, maar hij zal den bekwaamsten zaaitijd verzuimen; alzo ook wie in den maaitijd al te zeer op wind en weer let. Enigen duiden deze woorden op het uitdelen der aalmoezen, aldus: Alzo ook, indien iemand al te scrupuleus zou willen denken op alle veranderingen van tijden, denkende dat hij zelf arm kon worden, enz., of op de onwaardigheid of ondankbaarheid der armen, enz., die zal nimmermeer aalmoezen geven, en hij zal zodoende nimmermeer doen wat hij te doen schuldig is. |
5 bGelijk 12gij niet weet welke de weg des winds zij, of hoedanig 13cde beenderen zijn in den buik van 14een zwangere vrouw, alzo 15weet gij het werk Gods niet, 16Die het alles maakt. | | b Joh. 3:8. Joh. 3:8 De wind blaast waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet vanwaar hij komt en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk die uit den Geest geboren is. |
12 Te weten vanwaar hij komt, waar hij heenvliegt, hoelang en hoe sterk hij uit een gewest waaien zal, Joh. 3:8. Joh. 3:8 De wind blaast waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet vanwaar hij komt en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk die uit den Geest geboren is. |
13 Door de beenderen moet men hier verstaan de gehele massa of vrucht, of het kind in des moeders lichaam. |
c Ps. 139:15, 16. Ps. 139:15 Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben in de nederste delen der aarde. Ps. 139:16 Uw ogen hebben mijn ongeformeerden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was. |
14 Hebr. ener volle vrouw. |
15 Dat is, gij weet en kunt de regering Gods niet weten, noch verstaan wat Hij in Zijn alwijzen raad besloten heeft; hoelang gij uw goederen zult hebben en behouden. Laat derhalve uw onnutte zorg varen, en doe den armen goed, zolang als u God het leven en de macht geeft. |
16 Of: dat Hij aan of met allen doet. |
6 Zaai uw zaad 17in den morgenstond, en trek uw hand des avonds niet 18af; want gij weet niet 19wat recht wezen zal, of dit of dat, of dat die beide 20tezamen goed zijn zullen. | | 17 Dat is, vroeg. |
18 Te weten van zaaien, of van het zaad in de aarde te werpen. |
19 Dat is, of dat wel opwassen zal dat gij des avonds gezaaid hebt, dan wel of dat beter opwassen zal dat gij des morgens gezaaid hebt. |
20 Hebr. als een, dat is, evengoed. |
Gedenk aan uw Schepper in uw jeugd |
7 21Verder, 22het licht 23is zoet, en het is den ogen 24goed de zon te aanschouwen. | | 21 Of: Trouwens, of: zekerlijk. Alsof hij zeide: Het is wel waar, enz. |
22 Dat is, dit tijdelijke leven, dat men het licht der zon mag aanschouwen. |
23 Dat is, het is den mens aangenaam. |
24 Dat is, lieflijk. |
8 Maar indien de mens vele jaren leeft, en verblijdt zich in die alle, zo laat hem ook gedenken 25aan de dagen der duisternis, want die zullen vele zijn; en
26al wat gekomen is, 27is ijdelheid. | | 25 Dat is, aan den dood. Want de doden legt men in het graf, waar het duister is. |
26 Dat is, al wat hem bejegend is. |
27 Hij zal moeten bekennen dat er in dit leven niets bestendig is, waarin men zich volkomenlijk mag verblijden. |
9 Verblijd u, o jongeling, in uw jeugd, en laat uw hart u 28vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en 29wandel in de wegen uws harten en 30in de aanschouwing uwer ogen; maar weet dat God om al deze dingen 31u zal doen komen voor het gericht. | | 28 Hebr. goeddoen. |
29 Dat is, doe wat uw hart lust en wat uw ogen behaagt. Uit deze woorden blijkt genoegzaam dat Salomo hier niet in ernst spreekt, maar ironisch of schimpswijze, tegen degenen die zulks als hier staat, met ernst spreken en gevoelen, namelijk dat men de jonge jaren met wellustigheid moet of mag doorbrengen. Num. 15:39 verbiedt God te wandelen in de wegen des harten. Num. 15:39 En hij zal ulieden aan de snoertjes zijn, opdat gij het aanziet en aan al de geboden des HEEREN gedenkt en die doet; en gij zult naar uw hart en naar uw ogen niet sporen, die gij zijt nahoererende; |
30 Dat is, in al wat uw ogen behaaglijk en aangenaam is, volg dat vrij, neem uw genoegen in dit leven. |
31 Alsof hij zeide: Gij zult daar wel ongaarne aankomen, maar God zal u wel doen komen, om rekenschap te geven van al wat gij gesproken en gedaan hebt. Zie Pred. 12:14. Pred. 12:14 Want God zal ieder werk in het gericht brengen, met al wat verborgen is, hetzij goed of hetzij kwaad. |
10 Zo doe dan 32de toornigheid wijken van uw hart, en doe 33het kwade weg 34van uw vlees, want de jeugd en 35de jonkheid 36is ijdelheid. | | 32 Onder de toornigheid begrijpt hij alle kwade bewegingen des harten, die hetzelve ontroeren, als zij vermaand worden de wellusten te verlaten en de vreze Gods aan te nemen. Anderen verstaan door de toornigheid de zonde, die den toorn Gods verwekt over de mensen. Anders: verdriet, moeilijkheid, treurigheid. |
33 Dat is, allerlei kwade begeerlijkheid en kwade lusten of zonden. |
34 Dat is, van uw lichaam. Zie Rom. 6:13. 1 Kor. 6:15. Rom. 6:13 En stelt uw leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid; maar stelt uzelven Gode, als uit de doden levend geworden zijnde, en stelt
uw leden Gode tot wapenen der gerechtigheid. 1 Kor. 6:15 Weet gij niet dat uw lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan de leden van Christus nemen en maken ze leden ener hoer? Dat zij verre. |
35 Het woord hetwelk in den Hebreeuwsen tekst staat, betekent eigenlijk den dageraad. De jonkheid of kindse jaren zijn als de morgenstond van des mensen leven; de morgenstond is spoedig voorbij, de dag passeert snellijk, en dan komt straks de nacht, in welken niemand werken kan. |
36 Dewijl zij vergankelijk, haast passerende en vol dwaasheid is. |