Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
| 1 MIJN zoon, zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt; |
| 2 Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds. |
| 3 Doe nu dit, mijn zoon, en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt: ga, onderwerp uzelven en sterk uw naaste; |
| 4 Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering; |
| 5 Red u als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers. |
| 6 Ga tot de mier, gij luiaard, zie haar wegen en word wijs; |
| 7 Dewelke, geen overste, ambtman, noch heerser hebbende, |
| 8 Haar brood bereidt in den zomer, haar spijze vergadert in den oogst. |
| 9 Hoelang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan? |
| 10 Een weinig slapen, een weinig sluimeren, een weinig handvouwen, al nederliggende; |
| 11 Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man. |
| 12 Een Belialsmens, een ondeugdzaam man, gaat met verkeerdheid des monds om, |
| 13 Wenkt met zijn ogen, spreekt met zijn voeten, leert met zijn vingers; |
| 14 In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te allen tijde kwaad, hij werpt twisten in. |
| 15 Daarom zal zijn verderf haastelijk komen; hij zal schielijk verbroken worden, dat er geen genezen aan zij. |
| 16 Deze zes haat de HEERE, ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel: |
| 17 Hoge ogen, een valse tong, en handen die onschuldig bloed vergieten, |
| 18 Een hart dat ondeugdzame gedachten smeedt, voeten die zich haasten om tot kwaad te lopen, |
| 19 Een vals getuige die leugens blaast, en die tussen broederen krakelen inwerpt. |
| 20 Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet. |
| 21 Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals. |
| 22 Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken. |
| 23 Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens, |
| 24 Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor de vleiing der vreemde tong. |
| 25 Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat haar u niet vangen met haar oogleden. |
| 26 Want door een vrouw die een hoer is, komt men tot een stuk brood; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel. |
| 27 Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden? |
| 28 Zal iemand op kolen gaan, dat zijn voeten niet branden? |
| 29 Alzo wie tot zijns naasten huisvrouw ingaat; al wie haar aanroert, zal niet onschuldig gehouden worden. |
| 30 Men doet een dief geen verachting aan als hij steelt om zijn ziel te vullen dewijl hij honger heeft; |
| 31 En gevonden zijnde, vergeldt hij het zevenvoudig; hij geeft al het goed van zijn huis. |
| 32 Maar wie met een vrouw overspel doet, is verstandeloos; hij verderft zijn ziel, die dat doet; |
| 33 Plaag en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet uitgewist worden. |
| 34 Want jaloersheid is een grimmigheid des mans, en in den dag der wraak zal hij niet verschonen. |
| 35 Hij zal geen verzoening aannemen; en hij zal niet bewilligen, ofschoon gij het geschenk vergroot. |