Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
| 1 EEN onderwijzing van Ethan, den Ezrahiet. |
| 2 Ik zal de goedertierenheden des HEEREN eeuwiglijk zingen; ik zal Uw waarheid met mijn mond bekendmaken van geslacht tot geslacht. |
| 3 Want ik heb gezegd: Uw goedertierenheid zal eeuwiglijk gebouwd worden; in de hemelen zelve hebt Gij Uw waarheid bevestigd, zeggende: |
| 4 Ik heb een verbond gemaakt met Mijn uitverkorene, Ik heb Mijn knecht David gezworen: |
| 5 Ik zal uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen, en uw troon opbouwen van geslacht tot geslacht. Sela. |
| 6 Dies loven de hemelen Uw wonderen, o HEERE; ook is Uw getrouwheid in de gemeente der heiligen. |
| 7 Want wie mag in den hemel tegen den HEERE geschat worden? Wie is den HEERE gelijk onder de kinderen der sterken? |
| 8 God is grotelijks geducht in den raad der heiligen, en vreselijk boven allen die rondom Hem zijn. |
| 9 O HEERE, God der heirscharen, wie is als Gij, grootmachtig, o HEERE? En Uw getrouwheid is rondom U. |
| 10 Gij heerst over de opgeblazenheid der zee; wanneer haar baren zich verheffen, zo stilt Gij ze. |
| 11 Gij hebt Rahab verbrijzeld als een verslagene; Gij hebt Uw vijanden verstrooid met den arm Uwer sterkte. |
| 12 De hemel is Uwe, ook is de aarde Uwe; de wereld en haar volheid, die hebt Gij gegrond. |
| 13 Het noorden en het zuiden, die hebt Gij geschapen; Thabor en Hermon juichen in Uw Naam. |
| 14 Gij hebt een arm met macht; Uw hand is sterk, Uw rechterhand is hoog. |
| 15 Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Uws troons; goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aanschijn heen. |
| 16 Welgelukzalig is het volk hetwelk het geklank kent; o HEERE, zij zullen in het licht Uws aanschijns wandelen. |
| 17 Zij zullen zich den gansen dag verheugen in Uw Naam, en door Uw gerechtigheid verhoogd worden; |
| 18 Want Gij zijt de Heerlijkheid hunner sterkte, en door Uw welbehagen zal onze hoorn verhoogd worden. |
| 19 Want ons schild is van den HEERE, en onze koning is van den Heilige Israëls. |
| 20 Toen hebt Gij in een gezicht gesproken van Uw heilige, en gezegd: Ik heb hulp besteld bij een held; Ik heb een verkorene uit het volk verhoogd. |
| 21 Ik heb David, Mijn knecht, gevonden; met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd; |
| 22 Met welken Mijn hand vast blijven zal; ook zal hem Mijn arm versterken. |
| 23 De vijand zal hem niet dringen, en de zoon der ongerechtigheid zal hem niet onderdrukken. |
| 24 Maar Ik zal zijn wederpartijders verpletteren voor zijn aangezicht; en die hem haten, zal Ik plagen. |
| 25 En Mijn getrouwheid en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn; en zijn hoorn zal in Mijn Naam verhoogd worden. |
| 26 En Ik zal zijn hand in de zee zetten, en zijn rechterhand
in de rivieren. |
| 27 Hij zal Mij noemen: Gij zijt mijn Vader, mijn God en de Rotssteen mijns heils. |
| 28 Ook zal Ik hem ten eerstgeboren zoon stellen, ten hoogste over de koningen der aarde. |
| 29 Ik zal hem Mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden, en Mijn verbond zal hem vast blijven. |
| 30 En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon als de dagen der hemelen. |
| 31 Indien zijn kinderen Mijn wet verlaten, en in Mijn rechten niet wandelen, |
| 32 Indien zij Mijn inzettingen ontheiligen, en Mijn geboden niet houden, |
| 33 Zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen. |
| 34 Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, en in Mijn getrouwheid niet feilen. |
| 35 Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en hetgeen dat uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen. |
| 36 Ik heb ééns gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege! |
| 37 Zijn zaad zal in der eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon. |
| 38 Hij zal eeuwiglijk bevestigd worden, gelijk de maan, en de getuige in den hemel is getrouw. Sela. |
| 39 Maar Gij hebt hem verstoten en verworpen; Gij zijt verbolgen geworden tegen Uw gezalfde. |
| 40 Gij hebt het verbond Uws knechts tenietgedaan; Gij hebt zijn kroon ontheiligd tegen de aarde. |
| 41 Gij hebt al zijn muren doorgebroken, Gij hebt zijn vestingen nedergeworpen. |
| 42 Allen die den weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijn naburen is hij tot een smaad geweest. |
| 43 Gij hebt de rechterhand zijner wederpartijders verhoogd; Gij hebt al zijn vijanden verblijd. |
| 44 Gij hebt ook de scherpte zijns zwaards omgekeerd, en hebt hem niet staande gehouden in den strijd. |
| 45 Gij hebt zijn schoonheid doen ophouden, en Gij hebt zijn troon ter aarde nedergestoten. |
| 46 Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort, Gij hebt hem met schaamte overdekt. Sela. |
| 47 Hoelange, o HEERE? Zult Gij U steeds verbergen? Zal Uw grimmigheid branden als een vuur? |
| 48 Gedenk van hoedanige eeuw dat ik ben; waarom zoudt Gij aller mensen kinderen tevergeefs geschapen hebben? |
| 49 Wat man leeft er die den dood niet zien zal, die zijn ziel zal bevrijden van het geweld des grafs? Sela. |
| 50 Heere, waar zijn Uw vorige goedertierenheden, die Gij David gezworen hebt bij Uw trouw? |
| 51 Gedenk, Heere, aan den smaad Uwer knechten, die ik in mijn boezem draag van alle grote volken; |
| 52 Waarmede, o HEERE, Uw vijanden smaden, waarmede zij de voetstappen Uws gezalfden smaden. |
| 53 Geloofd zij de HEERE in der eeuwigheid. Amen, ja amen. |