Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
| Aleph |
| 1 WELGELUKZALIG zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan. |
| 2 Welgelukzalig zijn zij die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken; |
| 3 Ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijn wegen. |
| 4 HEERE, Gij hebt geboden dat men Uw bevelen zeer bewaren zal. |
| 5 Och, dat mijn wegen gericht werden om Uw inzettingen te bewaren! |
| 6 Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden. |
| 7 Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben. |
| 8 Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer. |
Beth |
| 9 Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord. |
| 10 Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen. |
| 11 Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou. |
| 12 HEERE, Gij zijt gezegend, leer mij Uw inzettingen. |
| 13 Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds. |
| 14 Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen dan over allen rijkdom. |
| 15 Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten. |
| 16 Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten. |
Gimel |
| 17 Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware. |
| 18 Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet. |
| 19 Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet. |
| 20 Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te allen tijde. |
| 21 Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen. |
| 22 Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden. |
| 23 Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht. |
| 24 Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen en mijn raadslieden. |
Daleth |
| 25 Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord. |
| 26 Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen. |
| 27 Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte. |
| 28 Mijn ziel drupt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord. |
| 29 Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet. |
| 30 Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld. |
| 31 Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o HEERE, beschaam mij niet. |
| 32 Ik zal den weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben. |
He |
| 33 HEERE, leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe. |
| 34 Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden, ja, ik zal ze onderhouden met ganser harte. |
| 35 Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust. |
| 36 Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid. |
| 37 Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen. |
| 38 Bevestig Uw toezegging aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is. |
| 39 Wend mijn smaadheid af, die ik vreze; want Uw rechten zijn goed. |
| 40 Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid. |
Vau |
| 41 En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE, Uw heil, naar Uw toezegging; |
| 42 Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord. |
| 43 En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten. |
| 44 Zo zal ik Uw wet steeds onderhouden, eeuwiglijk en altoos. |
| 45 En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb. |
| 46 Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen en mij niet schamen. |
| 47 En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb. |
| 48 En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw inzettingen betrachten. |
Zain |
| 49 Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen. |
| 50 Dit is mijn troost in mijn ellende; want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt. |
| 51 De hovaardigen hebben mij bovenmate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken. |
| 52 Ik heb gedacht, o HEERE, aan Uw oordelen vanouds aan, en heb mij getroost. |
| 53 Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten. |
| 54 Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest ter plaatse mijner vreemdelingschappen. |
| 55 HEERE, des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest, en heb Uw wet bewaard. |
| 56 Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb. |
Cheth |
| 57 De HEERE is mijn Deel; ik heb gezegd dat ik Uw woorden zal bewaren. |
| 58 Ik heb Uw aanschijn ernstiglijk gebeden van ganser harte; zijt mij genadig naar Uw toezegging. |
| 59 Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen. |
| 60 Ik heb gehaast en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden. |
| 61 De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten. |
| 62 Te middernacht sta ik op om U te loven, voor de rechten Uwer gerechtigheid. |
| 63 Ik ben een gezel van allen die U vrezen, en van hen die Uw bevelen onderhouden. |
| 64 HEERE, de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw inzettingen. |
Teth |
| 65 Gij hebt bij Uw knecht goedgedaan, HEERE, naar Uw woord. |
| 66 Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd. |
| 67 Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik; maar nu onderhoud ik Uw woord. |
| 68 Gij zijt goed en goeddoende; leer mij Uw inzettingen. |
| 69 De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte. |
| 70 Hun hart is vet als smeer, maar ik heb vermaak in Uw wet. |
| 71 Het is mij goed dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde. |
| 72 De wet Uws monds is mij beter dan duizenden van goud of zilver. |
Jod |
| 73 Uw handen hebben mij gemaakt en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere. |
| 74 Die U vrezen, zullen mij aanzien en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb. |
| 75 Ik weet, HEERE, dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt. |
| 76 Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht. |
| 77 Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve; want Uw wet is al mijn vermaking. |
| 78 Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden. |
| 79 Laat hen tot mij keren die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen. |
| 80 Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde. |
Caph |
| 81 Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt. |
| 82 Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten? |
| 83 Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook; doch Uw inzettingen heb ik niet vergeten. |
| 84 Hoevele zullen de dagen Uws knechts zijn? Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers? |
| 85 De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet. |
| 86 Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij. |
| 87 Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten. |
| 88 Maak mij levend naar Uw goedertierenheid; dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden. |
Lamed |
| 89 O HEERE, Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen. |
| 90 Uw getrouwheid is van geslacht tot geslacht; Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan; |
| 91 Naar Uw ordinantiën blijven zij nog heden staan, want zij alle zijn Uw knechten. |
| 92 Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk allang vergaan. |
| 93 Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt. |
| 94 Ik ben Uwe, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht. |
| 95 De goddelozen hebben op mij gewacht om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen. |
| 96 In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien, maar Uw gebod is zeer wijd. |
Mem |
| 97 Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag. |
| 98 Zij maakt mij door Uw geboden wijzer dan mijn vijanden zijn, want
zij is in eeuwigheid bij mij. |
| 99 Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn. |
| 100 Ik ben voorzichtiger dan de ouden, omdat ik Uw bevelen bewaard heb. |
| 101 Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden. |
| 102 Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd. |
| 103 Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honing mijn mond! |
| 104 Uit Uw bevelen krijg ik verstand; daarom haat ik alle leugenpaden. |
Nun |
| 105 Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht voor mijn pad. |
| 106 Ik heb gezworen en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid. |
| 107 Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE, maak mij levend naar Uw woord. |
| 108 Laat U toch, o HEERE, welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds; en leer mij Uw rechten. |
| 109 Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet. |
| 110 De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen. |
| 111 Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid. |
| 112 Ik heb mijn hart geneigd om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe. |
Samech |
| 113 Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief. |
| 114 Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild, op Uw woord heb ik gehoopt. |
| 115 Wijkt van mij, gij boosdoeners, dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren. |
| 116 Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hoop. |
| 117 Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken. |
| 118 Gij vertreedt al degenen die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen. |
| 119 Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim; daarom heb ik Uw getuigenissen lief. |
| 120 Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen. |
Ain |
| 121 Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers. |
| 122 Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hovaardigen mij niet onderdrukken. |
| 123 Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid. |
| 124 Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen. |
| 125 Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen. |
| 126 Het is tijd voor den HEERE dat Hij werke, want zij hebben Uw wet verbroken. |
| 127 Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud. |
| 128 Daarom heb ik al Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle vals pad heb ik gehaat. |
Pe |
| 129 Uw getuigenissen zijn wonderbaar; daarom bewaart ze mijn ziel. |
| 130 De opening Uwer woorden geeft licht, de slechten verstandig makende. |
| 131 Ik heb mijn mond wijd opengedaan en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden. |
| 132 Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen die Uw Naam beminnen. |
| 133 Maak mijn voetstappen vast in Uw woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen. |
| 134 Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden. |
| 135 Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw inzettingen. |
| 136 Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden. |
Tsade |
| 137 HEERE, Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht. |
| 138 Gij hebt de gerechtigheid Uwer getuigenissen en de waarheid hogelijk geboden. |
| 139 Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn wederpartijders Uw woorden vergeten hebben. |
| 140 Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief. |
| 141 Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet. |
| 142 Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid. |
| 143 Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen. |
| 144 De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven. |
Koph |
| 145 Ik heb van ganser harte geroepen; verhoor mij, o HEERE, ik zal Uw inzettingen bewaren. |
| 146 Ik heb U aangeroepen, verlos mij; en ik zal Uw getuigenissen onderhouden. |
| 147 Ik ben de morgenschemering voorgekomen en heb geschrei gemaakt; op Uw woord heb ik gehoopt. |
| 148 Mijn ogen komen de nachtwaken voor, om Uw rede te betrachten. |
| 149 Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE, maak mij levend naar Uw recht. |
| 150 Die kwade praktijken najagen, genaken mij, zij wijken verre van Uw wet. |
| 151 Maar Gij, HEERE, zijt nabij; en al Uw geboden zijn waarheid. |
| 152 Vanouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt. |
Resch |
| 153 Zie mijn ellende aan en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten. |
| 154 Twist mijn twistzaak en verlos mij, maak mij levend naar Uw toezegging. |
| 155 Het heil is verre van de goddelozen, want zij zoeken Uw inzettingen niet. |
| 156 HEERE, Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten. |
| 157 Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet. |
| 158 Ik heb gezien degenen die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden. |
| 159 Zie aan, dat ik Uw bevelen liefheb; o HEERE, maak mij levend naar Uw goedertierenheid. |
| 160 Het begin Uws woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid. |
Schin |
| 161 De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak, maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord. |
| 162 Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een die een groten buit vindt. |
| 163 Ik haat de valsheid en heb er een gruwel van, maar Uw wet heb ik lief. |
| 164 Ik loof U zevenmaal des daags, over de rechten Uwer gerechtigheid. |
| 165 Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot. |
| 166 O HEERE, ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden. |
| 167 Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief. |
| 168 Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U. |
Thau |
| 169 O HEERE, laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken, maak mij verstandig naar Uw woord. |
| 170 Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging. |
| 171 Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben. |
| 172 Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid. |
| 173 Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren. |
| 174 O HEERE, ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking. |
| 175 Laat mijn ziel leven en zij zal U loven, en laat Uw rechten mij helpen. |
| 176 Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten. |