Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
1 DAARNAa
ontsliep Jósafat met zijn vaderen en werd begraven bij zijn vaderen in de stad Davids; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats. a 1 Kon. 22:51. 2 Kon. 8:16. |
a 1 Kon. 22:51 En Jósafat ontsliep met zijn vaderen en werd bij zijn vaderen begraven in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats. 2 Kon. 8:16 In het vijfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, den koning van Israël, toen Jósafat koning was van Juda, begon Jehóram, de zoon van Jósafat, den koning van Juda, te regeren. |
De goddeloze regering van Joram |
2 En hij had broederen, Jósafats zonen, Azárja en Jehíël en Zechárja en Azarjáhu en Michaël en Sefátja; deze allen waren zonen van Jósafat, den koning Israëls. |
3 En hun vader had hun vele gaven gegeven van zilver en van goud en van kostelijkheden, met vaste steden in Juda; maar het koninkrijk gaf hij Joram, omdat hij de eerstgeborene was. |
4 Als Joram tot het koninkrijk zijns vaders opgekomen was en zich versterkt had, zo doodde hij al zijn broederen met het zwaard, mitsgaders ook enigen van de vorsten van Israël. |
5 bTwee en dertig jaar was Joram oud toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem. b 2 Kon. 8:17. |
b 2 Kon. 8:17 Hij was twee en dertig jaren oud toen hij koning werd; en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem. |
6 En hij wandelde in den weg der koningen van Israël, gelijk als het huis van Achab deed, want hij had de dochter van Achab tot een vrouw; en hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN. |
7 Doch de HEERE wilde het huis Davids niet verderven, om des verbonds wil, cdat Hij met David gemaakt had; en gelijk als Hij dgezegd had, hem en zijn zonen te alle dagen een lamp te zullen geven. c 2 Sam. 7:12. 1 Kon. 11:36. Ps. 132:11, 17. d 1 Kon. 11:36. |
c 2 Sam. 7:12 Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn en gij met uw vaderen zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. 1 Kon. 11:36 En zijn zoon zal Ik één stam geven; opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad die Ik Mij verkoren heb om Mijn Naam daar te stellen. Ps. 132:11 De HEERE heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten. Ps. 132:17 Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb Mijn gezalfde een lamp toegericht. d 1 Kon. 11:36 En zijn zoon zal Ik één stam geven; opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad die Ik Mij verkoren heb om Mijn Naam daar te stellen. |
8 eIn zijn dagen vielen de Edomieten af van onder het gebied van Juda, en zij maakten over zich een koning. e 2 Kon. 8:20. |
e 2 Kon. 8:20 In zijn dagen vielen de Edomieten van onder het gebied van Juda af, en maakten een koning over zich. |
9 Daarom toog Joram voort met zijn oversten, en al de wagens met hem; en hij maakte zich des nachts op fen sloeg de Edomieten die rondom hem waren, en de oversten der wagens. f 2 Kon. 8:21. |
f 2 Kon. 8:21 Daarom toog Joram over naar Zaïr en al de wagens met hem; en hij maakte zich des nachts op en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren, daartoe de oversten der wagens; en het volk vlood in zijn hutten. |
10 gEvenwel vielen de Edomieten af van onder het gebied van Juda, tot op dezen dag; toen, terzelfder tijd, viel Libna af van onder zijn gebied; want hij had den HEERE, den God zijner vaderen, verlaten. g 2 Kon. 8:22. |
g 2 Kon. 8:22 De Edomieten evenwel vielen van onder het gebied van Juda af tot op dezen dag; toen viel Libna af in denzelven tijd. |
11 Ook maakte hij hoogten op de bergen van Juda; en hij deed de inwoners van Jeruzalem hoereren, ja, hij dreef Juda daartoe. |
12 Zo kwam een schrift tot hem van den profeet Elía, zeggende: Alzo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Omdat gij in de wegen van uw vader Jósafat en in de wegen van Asa, den koning van Juda, niet gewandeld hebt; |
13 Maar hebt gewandeld in den weg der koningen van Israël, en hebt Juda en de inwoners van Jeruzalem doen hoereren, achtervolgens het hoereren van het huis van Achab; en ook uw broederen, van uws vaders huis, gedood hebt, die beter waren dan gij; |
14 Zie, de HEERE zal u plagen met een grote plaag aan uw volk, en aan uw kinderen en aan uw vrouwen en aan al uw have. |
15 Gij zult ook in grote krankheden zijn door de krankheid uwer ingewanden, totdat uw ingewanden uitgaan vanwege de krankheid, jaar op jaar. |
16 Zo verwekte de HEERE tegen Joram den geest der Filistijnen en der Arabieren, die aan de zijde der Moren zijn. |
17 Die togen op in Juda en braken daarin, en voerden alle have weg die in het huis des konings gevonden werd, zelfs ook zijn kinderen en zijn vrouwen; zodat hem geen zoon overgelaten werd dan Jóahaz, de kleinste zijner zonen. |
18 En na dit alles plaagde hem de HEERE in zijn ingewand met een krankheid waar geen genezen aan was. |
19 Dit geschiedde van jaar tot jaar, zodat wanneer de tijd van het einde der twee jaren uitging, zijn ingewanden met de krankheid uitgingen, dat hij stierf van boze krankheden; en zijn volk maakte hem geen branding als de branding zijner vaderen. |
20 Hij was twee en dertig jaren oud als hij koning werd, en regeerde acht jaren te Jeruzalem; en hij ging heen zonder begeerd te zijn; en zij begroeven hem in de stad Davids, maar niet in de graven der koningen. |